Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.
Jes. IX, 5.
En men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst.
Jes. IX. 5.
(Stem: Ps. CXLVI.)
(Stem: Ps. LXXXIX.)
(Stem: Ps. CL.)
Mijne dagen zijn als eene afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Maar gy, Heere! blijft in eeuwigheid: en uwe gedachtenis van geslachte tot geslachte. Gy zult opstaan, Gy zult u ontfermen over Sion: Want de tijd, om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. Want uwe knechten hebben een welgevallen aan hare steenen, en hebben medelijden met haar gruis. Dan zullen de heidenen den naam des Heeren vreezen, en alle koningen der aarde uwe heerlijkheid. Als de Heer Zion zal opgebouwd hebben, in zijne heerlijkheid zal verschenen zijn, zich gewend zal hebben tot het gebed des genen, die gansch ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed.
Ps. CII. 12-18.
(Stem: Ps. XLVI.)
1829.
1858.