terug  begin  verderprepost
[p. 370]

Uitboezeming.aant.

 
Neen, 'k was geen Zanger, stout en sterk,
 
Wien eigen kracht naar 't ruime zwerk
 
Op breede vleuglen uit deed schieten.
 
Ik ben een wormke, zwak en klein,
 
In eigen, in Gods oog onrein!
 
En, zoo mijn zangen indruk lieten,
 
Hy wete 't, wie dit ondervond,
 
Dat, zoo ik ooit als Dichter stond,
 
De galm, geslaakt op dezen grond,
 
Een naadring was van hooger waarheid,
 
Eerst dichterlijk mijn' geest verkond,
 
Maar op een onvergeetbren stond
 
Uit d' eigen vaderlijken mond
 
Mijn hart naby gebracht met onweêrstaanbre klaarheid.
[p. 371]
 
Zoo wensch noch bied my eer of lof,
 
My, armen kruiper in het stof;
 
Maar blijv', voor palm of eerelover,
 
Slechts deze naam van my bestaan,
 
(Zij ook mijn dichtervonk vergaan!)
 
Slechts dit getuignis van my over:
 
Zijn Dichtkunst had haar tijd - dien van een lentebloem; -
 
Maar Waarheid bleef zijn deel - de Levens boom zijn roem!

1836.

prepostterug  begin  verder