terug  begin  verderprepost
[p. 444]

Bilderdijk. Eene herinnering.1aant.

 
o Aller Zangren schitterendst voorbeeld,
 
Door tijd- aan tijdgenoot veroordeeld!
 
Hoe zal een billijk nageslacht
 
Van uw verheven dichterkracht,
 
Van uw verheevner ziel gewagen,
 
En 's lands geschiedrol ondervragen
 
Van 't geen dit Neêrland voor U was,
 
By uwer dagen leed, by uwer beendren asch!
 
 
 
De naneef, ja! hy zal het lezen,
 
Tot welk een zwerversleed verwezen,
 
Met welke taal, gesleept door slijk,
 
Der dichtren koning, Bilderdijk,
[p. 445]
 
Een pest gelijk, werd uitgesloten,
 
Een ban gelijk, werd uitgestoten
 
Van Neêrlands duurgekochten grond,
 
Omdat hy trouw aan God en d' eed der Nassaus stond.
 
 
 
De naneef, - blozend moog hy 't lezen!
 
Toch mag hy niet verwonderd wezen
 
Dat, waar onzaal'ge burgertwist
 
In de ongestuime boezems gist,
 
De driften, eenmaal dol aan 't rennen,
 
Voor palm noch lauwer eerbied kennen,
 
En Ridderlijke dichtermoed
 
Met smaad en ballingschap en afkeer werd geboet.
 
 
 
Of zoo hy 't, verder, vindt beschreven,
 
Hoe meer dan eenmaal in een leven,
 
Zoo rijk aan tranen, foltring, nood,
 
Door zijner kindren vraag om brood
 
Dat leeuwenhart werd opgereten,
 
En 't schor geluid van wanhoopskreten
 
Die keel ontperst, by wier muzijk
 
De nachtegaal van 't woud, de zwaan der fabel wijk', -
[p. 446]
 
Laat hem ook dit geen opzien baren!
 
Een lot zoo menigwerf ervaren
 
Door Dichtkunsts fierste puiksieraân!
 
Van aller hoofd, Homerus, aan,
 
Tot wat, Homeer der Portugeezen,
 
Camoëns1! uw eereloon moest wezen,
 
Die, Dichter, Edelman, Soldaat,
 
Een brood at, by den nacht gebedeld langs de straat.
 
 
 
Of mogen dit die nageslachten
 
In 's Dichters lot bevreemdbaar achten,
 
Dat hy geen juichtoon vond, maar smaad,
 
Miskenning, laster, hoon en haat,
 
Als, niet omstuwd van strijdgenoten,
 
Noch zichtbre wapens aangeschoten,
 
Hy onder 't snerpendst levensleed
 
Voor de eer der Waarheid brandde, en afgoôn nedersmeet?
 
 
 
Niets van dat alles blijft vergeten.
 
Niets van dat alles zij verweten!
 
Het werd verwacht, het werd voorzegd,
 
Het is der keurelingen recht.
[p. 447]
 
Geen' Bilderdijken by hun leven
 
Wordt de eerekrans naar eisch gegeven,
 
En worstelaren, zoo als hy,
 
Valt vaderland en volk eerst na hun uitgang by.
 
 
 
Doch dat een vreedzaam grafgesteente
 
Des Dichters afgelegd gebeente
 
Reeds sedert zes paar jaren dekt,
 
En nog dat graf geen aandrift wekt
 
Tot leed-, tot schuld-, tot dankbelijding,
 
Ten zoen der bitterste bestrijding,
 
Die meer dan vijftig jaren lang
 
In Neêrland weêrklank gaf op zijn doorluchten zang; -
 
 
 
Doch dat de heerlijkheid dier zangen,
 
Met zoo veel koelheid vaak ontfangen,
 
Verguisd of naauwlijks opgemerkt,
 
Zelfs door geen dood verzoening werkt,
 
Noch al die taal- en Waarheidsschatten,
 
Die 't stoutst vernuft wist zaam te vatten,
 
Maar aan de voeten bragt van Hem,
 
Die Neêrland tot zich roept ook door der dichtren stem; -
[p. 448]
 
Ja, dat wel Nederlandsche knieën
 
Zich nederbogen voor genieën
 
Op uitheemsch grondgebied geteeld:
 
Voor Byrons glans, voor Goethes beeld;
 
Maar Neêrlands volk geen stem doet hooren:
 
‘Zij menschvergoding afgezworen!
 
Maar, waar van Dichtkunst spraak mag zijn,
 
Zoo roemt niet, volkeren! want Bilderdijk is mijn!’ -
 
 
 
Zie daar, waarvan de nageslachten
 
Eens zullen rekenschap verwachten, -
 
Waar 't jonge Holland bovenal
 
Eens voor verdagvaard worden zal;
 
Dat jonge Holland, aan zijn streven
 
Verschuldigde eer bevoegd te geven,
 
Bestond er eenmaal zielsgevoel
 
Ook voor des Dichters kunst, maar meer nog voor zijn doel.
 
 
 
Zijn doel? zijn zucht? - Van uit die oorden,
 
Waar stroom op stroom van waarheidswoorden
 
Zich uitgiet in de zee van lof,
 
Die tot God oprijst uit het stof; -
[p. 449]
 
Van daar, zoo ooit herinneringen
 
Nog 't hart der zaligen doordringen,
 
Vraagt u de Dichter roem noch recht,
 
Maar dat ge aan dit zijn woord toch geen gehoor ontzegt!
 
 
 
Aan dit zijn woord, o Neêrlands zonen!
 
U toegeâamd in duizend tonen
 
Van meer dan aardsche poëzy,
 
Van ziel- en Englenmelody:
 
‘Uw taal, uw Godsdienst (wat verander'!)
 
Ziedaar uw heil- en zegestander!
 
Verzaak ze voor geen god der Eeuw,
 
En voorts, blijf wakend op de stem van Judaas Leeuw!’
 
 
 
En ook tot U, doorluchte Koning!
 
Sprak, niet met ijdle praalvertooning,
 
De Dichter, gloeiend voor uw huis,
 
Van christus komst, van christus kruis!
 
Tot U, wiens wieg hy heeft bezongen,
 
Wien, als uw roem zweefde op de tongen,
 
Van Taag-, tot Theems-, en Sennesboord,
 
Zijn hart steeds heeft verzeld met bede en harpakkoord!
[p. 450]
 
Met bede en harpakkoord, - met liefde,
 
Die, wat des Dichters hart ook griefde,
 
Niets bloedender ooit heeft betreurd,
 
Dan Neêrland en Oranje elkander afgescheurd. -
 
o! Zoo wat hy zich van U spelde,
 
Aan U, van U, voorzeggend meldde,
 
Uw keus, uw deel, uw roeping zij, -
 
Geen Vorst, o Neêrlands Vorst! bevoorrecht meer dan Gy!

1843.

1Zie over de aanleiding tot dit Gedicht, de uitzetting van Bilderdijk uit den lande, in de Aanteekeningen.
1Men spreke uit: Camoins.
prepostterug  begin  verder