[p. 71]
Aan mevrouw de douairière Van Weede van Dijkveld, geb. Van Lennep, in antwoord op een geschenk van bloemen.
aant.
Schoon zijn, o Meer- en- Bosch! uw mild gekweekte rozen!
Haar edelaartig bleek, haar zacht aanspraakloos blozen;
Zoo lieflijk voor het oog haar zaam gehuwde kleur
Als voor den ademtocht uw versche lindengeur!
Die kleur, - niet voor altoos blijft zy een lust der oogen.
Die geur, - hy is weldra tot enkel
niet
vervlogen!
Maar wat tot hart en geest de bloemschakeering
zegt
,
Door zusterlijke hand in Ruimzicht neergelegd,
Verschiet niet noch vervliegt, - 't is blad en bloem van vruchten,
By 't ruischen van Gods Woord gekweekt voor hooger luchten.
1847.