terug  begin  verderprepost
[p. 98]

De stem des Heeren. Vier en twintig february 1848.aant.

De stem des Heeren is op de wateren, de God der eere dondert. - In zijnen tempel zegt hem een iegelijk eere. - De Heer heeft gezeten over den watervloed, ja! de Heer zit, koning in eeuwigheid.
Ps. XXIX: 3. 9. 10.
 
De Eeuw hernam het geen zy gaf.
 
Orléans naar alle kanten
 
Schudt zijn koningsdiamanten
 
Als onrijpe druiven af!
 
By het zwijgen der kanonnen
 
Voor den schorren vrijheidsschreeuw;
 
By den weekreet der Bourbonnen,
 
En de snikkingen der Weeuw;
 
 
 
By het baldrend handgeklap
 
En der gram geworden volken
 
En der hoogst gevierde tolken
 
Van Vernuft en Wetenschap;
[p. 99]
 
By het staren van den Christen, -
 
Wien de orakels van zijn God
 
Van het einddoel vergewisten, -
 
Op de gangen van het lot.
 
 
 
God is koning! de aarde beeft.
 
Bergen slonken, dalen rezen,
 
Alle wereldhoogten vreezen, -
 
God is 't, die gedonderd heeft!
 
Die de breed getakte boomen
 
Van den Libanon verplet!
 
Die bevel geeft aan de stroomen
 
Of de branding nederzet!
 
 
 
God is koning! de aarde dreunt.
 
Ziet! een Machtige is gevallen,
 
Hoop en steun der duizendtallen
 
Door tienduizenden gesteund.
 
Maar het Godsuur had geslagen,
 
En de menschenscheppiug viel!
 
't Zij gy roem of rouw moogt dragen,
 
Menschheid! schouw het aan en kniel!
[p. 100]
 
God is Richter! de aarde wacht.
 
De aarde ontroert en staat verwonderd,
 
Als de God der eere dondert
 
En den dag verkeert in nacht.
 
Over de opgedreven waatren
 
Wandelt Zijne koningstem!
 
Zeeën schuimen, scharen schaatren, -
 
En de storm verheerlijkt Hem.
 
 
 
En te midden van d' orkaan
 
Geeft Hy vrede aan wie gelooven!
 
Hier beneden en daarboven
 
In Zijn tempel bidt Hem aan!
 
Tusschen al die onweêrsgalmen
 
Rollende over berg en rots,
 
Ruischt het dáár verlossingspsalmen,
 
Dáár genadewegen Gods!
 
 
 
Zanger1, eenmaal opgevoed
 
By gewijde Bijbelwoorden,
[p. 101]
 
Straks, door kracht van taalakkoorden,
 
Tot een heerscher op 't gemoed,
 
Tot een heerscher over scharen,
 
Die Ge op één gegeven stond
 
Op doet bruischen en bedaren
 
Naar 't bezweeren van uw mond!
 
 
 
Wat gy waart en wat gy deedt,
 
Toen ge op eens uw idealen
 
In het leven af deedt dalen,
 
En een troon in duigen smeet,
 
Toen Gy meer dan koningsplichten
 
Op uw schouders overnaamt, -
 
Zal de God der waarheid richten,
 
Die des aardworms waan beschaamt.
 
 
 
Dichter! Volksheld! Wie ge ook zijt,
 
Roekloos Wet- en eedverbreker,
 
Of van God verwekte Wreker,
 
Vloek of redder van uw tijd!
 
'k Wil geen glorie u betwisten,
 
Slingren op uw hoofd geen blaam;
[p. 102]
 
Maar de toekomst hoort den Christen, -
 
Gy! maakt ge aanspraak op dien naam?
 
 
 
[Dichter! Volksheld! en gy vielt!1
 
Voor een andren rosbeklemmer,
 
Voor een driester monstertemmer
 
Zaagt ge straks dat volk geknield.
 
Als de vrijheidswaatren holden
 
Over Frankrijks paradijs,
 
Klonk een stem, en ziet! zy stolden,
 
En de stortvloed keerde in ijs.
 
 
 
Is 't op nieuw des Aadlaars tijd?
 
Is Napoleon herrezen
 
Met die vlucht die ze allen vreezen? -
 
Consul! Keizer! wat ge ook zijt!
 
'k Zal geen stoutheid u betwisten,
 
Werpen op uw hoofd geen blaam;
 
Maar de toekomst hoort den Christen, -
 
Maakt gy aanspraak op dien naam?]
[p. 103]
 
Wie dien voert, hy gaat te raad
 
Met geen wijsheid dezer aarde!
 
't Woord dat God eens openbaarde,
 
Is de rots, waarop hy staat.
 
Tegen de Eeuwleus: ‘zelfvolmaking!’
 
[Tegen Romes Schriftverzaking]
 
Antwoordt zijn banier: ‘Genâ!’
 
Aller wereldsmerten slaking
 
Gaat hem op uit Golgotha!
 
 
 
Ja! op Golgotha onthuld
 
Staat ook 't raadsel dezer dagen!
 
Op den bodem aller vragen
 
Ligt des werelds zondeschuld.
 
Waart ge in staat die weg te dragen,
 
Menschenkindren, aardsche goôn?
 
Zoo bestijgt den zegewagen -
 
Maar zoo niet, aanbidt den Zoon!
 
 
 
En verwacht het heil van Hem,
 
Grooten, kleinen, zondaars, volken!
 
In dat kraken Zijner wolken
[p. 104]
 
Dreigt een oordeel, roept een stem.
 
Dat Hem alles hulde geve,
 
Hymnen brenge, knieën buig'!
 
Hem, den Richter! de aarde beve!
 
Hem, den Koning! de aarde juich'!
 
 
 
Plascht het tranen, ruischt het bloed,
 
Dondren woede- en lasterkreten?
 
God als koning is gezeten
 
Over d' opgezetten vloed.
 
Wederkaatst door hemelpsalmen,
 
Antwoordt uit het heiligdom,
 
Midden onder de onweêrsgalmen,
 
't Jongste woord Zijns Woords: Ik kom.
1Lamartine.
1De twee tusschen teksthaakjes geplaatste coupletten, mitsgaders de zesde regel van het daarop volgende, zijn ingelascht na den 2en Dec. 1851.
prepostterug  begin  verder