terug  begin  verderprepost
[p. 131]

Zit aan mijne rechterhand. Hymne.aant.

De Heer heeft tot mijnen Heer gesproken: Zit aan mijne rechterhand, tot dat ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Ps. CX: 1.
Nadat Hy de reinigmaking onzer zonden door zich zelven te weeg gebracht heeft, is Hy gezeten aan de rechter der Majesteit Gods in den hoogen. - Voorts verwachtende tot dat Zijne vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.
Heb. I: 3. X: 13.
 
Een psalm! - Gesproken heeft de Heer tot mijnen Heer:
 
‘Zit aan mijn rechterhand, o Koning! en regeer.’
 
Gy zijt gestegen uit het graf! Gy zijt gevaren
 
Omhoog, waar U de zang van duizend Englenscharen
 
Bewelkomde en aanbad! De grendelen der hel
 
Verbraakt Gy, sterke God en Held Emmanuël!
 
Het Allerheiligste tradt Ge in. Apostlen loofden,
 
Nastarende dien gang met opgeheven hoofden,
[p. 132]
 
Tot waar de wolk zich sloot, Gy uit hun oog verdweent,
 
En - heerlijker dan ooit sints in hun zielen scheent,
 
Dat de opperzaal niet dan van vreugde langer galmde,
 
En in den Tempel zelf 't hart Uwer jongren psalmde1.
 
 
 
Sjeb Limini!2 het woord van ouds U toegebracht!
 
Gy hebt U neêrgezet ter rechter van Gods kracht!
 
Dáár naamt Gy rust! dáár, in de Vaderlijke woning,
 
Gehuldigd Englenhoofd en Hoogepriester Koning,
 
o Van alle eeuwigheid Gods eengeboren Zoon!
 
En wat Ge aan 't kruis volbracht, voleindigt Ge op dien troon!
 
Van daar stondt Ge op weldra om d' Eerstling te begroeten3
 
Die, komende uit den strijd, de kroon legde aan Uw voeten!
 
Van daar daalt Ge eenmaal af by 't jongst bazuingeschal,
 
Den scepter heffend, die ons aardrijk richten zal.
 
 
 
Sjeb Limini! Gy zette U neder in Uw glorie,
 
En aarde en hemel deelde in 't vieren dier viktorie,
 
Behaald op zonde en dood. De kerker werd uw buit,
 
En Gy, Volheerlijke! Gy deeldet gaven uit
 
Op menschenkindren, wederhoorigen, verlorenen,
[p. 133]
 
Maar door Uw kruissmert wederlevenden, herborenen!
 
Gy deeldet gaven uit. 't Was olie neêrgevloeid,
 
't Was regen stroomende van Boven. Zie, hoe bloeit
 
De dorre woestenij naar 't Woord!1 De kreuplen springen,
 
De stomme ontfangt een mond, om Uwen naam te zingen,
 
De blinde ziet U en de doove hoort Uw stem.
 
Een nieuwe heerlijkheid doorstroomt Jerusalem!
 
Gy doopt met Geest en vuur. Verdeelde tongen dalen
 
En golven over 't hoofd der Jongeren. De talen
 
Geboren uit de twist van Babel, worden één
 
In 't lofverkondigen van Uw grootdadigheên
 
Aan 't Pinkstervierend volk te Sion. Welke krachten,
 
Gewrocht sints dezen stond, die ook uw moorders brachten
 
Tot de ondervinding, in het omgezet gemoed,
 
Der heelkracht van Uw naam, der heilkracht van uw bloed!
 
Vervolging woedt vergeefs. Hy zal geen vlammen doven,
 
Die storm! maar drijven ze eer nog schittrender naar boven,
 
En breiden ze uit op aard veroovrend wijd en zijd.
 
Ha! martlaar Stephanus! schoon was uw levensstrijd
 
Voor Christus, rijk in vrucht van Evangeliezegen;
 
Maar (groot is onze God, en wondervol in wegen!2
 
Nog vruchtbrer was Uw dood. Der weêrpartijdren haat
[p. 134]
 
Had aan Uw bloeddoop zich gekoeld, het levenszaad
 
Van uit Jerusalem als weggevaagd, - dáár vielen
 
De korrels met de kracht, die ze eenig kan bezielen,
 
Op Samaria en het omgelegen land!
 
Hoe breidt het zaad zich uit! Hoe klemt de liefdeband,
 
Veêrkrachtig uitgerekt, ze zaam! ja, met die beiden,
 
Samaritaan en Jood, eerlang Romein en Heiden!
 
Hoe zien de heemlen-zelf hun zaligheid vermeerd,
 
Om éénen zondaar tot eens Heilands naam bekeerd!
 
Want voor zijn haters had de Martelaar gebeden, -
 
En ook voor Saül had des Martlaars Heer geleden, -
 
Daar rijpt het uur! Daar stort de wolf ter aard voor 't Lam,
 
En huldigt Benjamin den Leeuw van Judaas stam.
 
 
 
Sjeb Limini! Gy waart ter rechterhand verheven
 
Der Majesteit! de kleine kudde zaagt Gy beven,
 
En 't woeden van den wolf uit Tarsus, d' ijveraar,
 
Verdrukker van Uw volk en van U zelf1. Van waar
 
Die wrevel, dat geweld, gepleegd aan weereloozen,
 
In zamenspanning met het raadsgestoelt der boozen,
 
In zamenspanning met luchtharte Sadduceên,
 
Door dezen stuggen spruit van Phariseën?2 Neen!
[p. 135]
 
Geen huichlarij is hier, - in naam van Godvereeren,
 
Geen menscheneerbejag, - geen onmeêdoogend teeren
 
Op 't huis der weduw onder schijn van lang gebed!1
 
't Is plichtvolvoering, 't is volmaaktheid naar de Wet,
 
Gerechtigheid gezocht in eigen deugd en daden,
 
Verdienen van Gods gunst op zelfgekozen paden, -
 
Wat dezen Jongling, aan de voeten opgevoed
 
Van Rab Gamaliël, dus drijft! Geen dorst naar bloed
 
Is eigen aan dat hart, dan waar in bloed te plasschen
 
Hem nood werd als in 't spoor dier oude Pinehassen,2
 
Waarin ook hy voor God behaaglijk meent te gaan,
 
Gelijk hy zonder blaam by menschen weet te staan.
 
Zoo streeft hy tegen 't volk, dat Isrels Heer en Herder
 
Zich eigende, aangegord, en ach! van God al verder
 
Verwijderd en verdwaald, naar dat hy in zijn woên
 
Den God der vaderen meer waant een dienst te doen;3
 
Het zij op Stephans dood met woeste blikken starend,
 
En van zijn moordenaars de kleederen bewarend
 
Als in gemeenschap met den gruwel God ter eer!
 
't Zij, opgetrokken straks Judéa op en neêr,
 
De lamm'ren, waar zijn haat er slechts een uit mag vinden,
 
Verwondend, bindende, - hy zal ze eerlang verbinden!
[p. 136]
 
Zoo, doodslag snuivende en vervolging, streeft hy voort,
 
En Syrië ingestormd, bereikt Damascus poort
 
Weldra! ook dáár by macht de aloude Synagogen
 
Te ziften, en geen plant van Christus te gedogen,
 
Waar hy den voetzool zet. - Gy zaagt van op den troon
 
Dien Saül! Gy stondt op, o Davids Heer en Zoon!
 
En - donders ratelden, om d' overste Uwer haatren
 
Te treffen? Neen! een stem als 't ruischen veler waatren
 
Daalde uit uw hemel neêr: ‘Waarom vervolgt gy My?....’
 
De ontembre wetzeloot legt af zijn razernij!
 
‘Wat wilt Gy dat ik doe, o Heer!’ is aan Uw voeten
 
Zijn antwoord. Hy gelooft. Gods heiligen begroeten
 
Het nieuwe voorwerp van Uw zegepraal, o Held,
 
Verwinnaar door Uw dood, Uw lijden, geen geweld!
 
Zoo rijd voorspoedig op Uw waarheidswoord! Uw schichten,
 
o Koning! raken 't hart der vijanden1, die zwichten
 
En loven! Saül leeft by 't licht uit Nazareth.
 
Hy boog. Hy bidt. Hy kent voor kracht, voor heil, voor wet,
 
't Geloof voortaan in U; niets buiten die genade!
 
Haar slaat van oord tot oord de wereld in hem gade;
 
Haar brengt hy wijd en zijd den Heiden, haar den Jood;
 
Met haar bezegelt hy zijn leven en zijn dood;
[p. 137]
 
Met haar die erfenis van onvergankbre letteren,
 
Wier bliksems eeuw aan eeuw de hovaardij verpletteren
 
Van wetgerechtigheid, die 't offerbloed verzaakt,
 
Van zelfvolmaking, die de volheid ijdel maakt
 
Eens Goëls! Ja, genâ steeds door genâ vervangen;
 
Dit 's Paulus, dit zijn leer. o God! Zie daar Uw gangen!
 
't Kruis uitgeroepen door den lasteraar-voorheen, -
 
De wet der vrijheid door het hoofd der Phariseên, -
 
Der Heidnen licht, gelegd in 't Twaalftal uitverkoornen,
 
Ter middagzon verhoogd in dees hun jongstgeboornen!
 
Looft, hemelheiligen! met harp en stemakkoord
 
Uw Heer! en antwoord gy met Saulus eigen woord,1
 
Klein kuddeken op aard! ‘o Diepte, o wonderwegen!
 
o Rijkdom! Wie, o God! is immer opgestegen
 
Tot de onnaspeurlijkheên van Uw aanbidbren raad?
 
Of heeft de baan bepaald, waar langs Uw oordeel gaat?
 
Of heeft het pad voorzien, waar langs Uw zegens kwamen?
 
Uit U, door U, tot U zijn alle dingen. Amen.’
 
 
 
Sjeb Limini! Gy waart gezeten, Zoon en Heer,
 
Aan 's Vaders rechterhand, en blikte op Patmos neêr,
 
Op 't schraal en eenzaam strand, waar, om Uw woord verwezen,
[p. 138]
 
De Jonger U verbeidt, steeds brandend als voordezen
 
En groenend, schoon hy thands na tienmaal zeven jaar
 
Zijn Boanergeshoofd met zilverglans voor hair
 
Om hoog heft, - die van ouds in Uwen schoot gelegen,
 
Geheimenissen uit de wondren van Gods wegen
 
Werd ingeleid, en in de diepte van wiens ziel
 
Uw stem met kiemen steeds van openbaring viel!
 
Lang heeft hy aan de zij van Jonaas zoon gestreden, -
 
Met heel de Apostelschaar gebeden en geleden, -
 
Naast zich èn Stephanus èn Paulus op zien staan,
 
Getuigen, en de rust zijns Heeren binnengaan, -
 
Jacobus onder 't zwaard zien vallen der Heroden, -
 
Jerusalem omringd van legers, en de Joden
 
Geslagen met den ban, eens door Uw heil'gen mond
 
Van op de hoogten des Olijfbergs hem verkond.
 
Thands, tot des levens grens verlangend voortgetreden,
 
Thands, op die naakte kust van 't kuddeke afgesneden,
 
De jongste vreugde op aard zijns ouderdoms, verlaat
 
o Jesus! Gy hem niet, die daar verlaten staat.
 
Maar schenkt de Trooster (Hy, de kracht uit U gevloten)
 
In 't hart des ballings geestverjeugdigend geschoten,
 
De vlucht hem weder van den aadlaar, - en hy schrijft,
 
Terwijl zijn geest U ziet, terwijl Uw geest hem drijft,
 
Zijn Evangelie neêr: des Woords in 't vleesch gekomen,
[p. 139]
 
Der zonde op 't Lam gelegd en van ons afgenomen!
 
Daar stondt Gy vóór hem in Uw hemelmajesteit,
 
Gy zelf! bazuingeluid Uw tegenwoordigheid
 
Verkondend van naby. Hy zeeg als dood ter neder.
 
Want ja, Gy waart het! U, den Meester, zag hy weder,
 
Den Leidsman Zijner jeugd, den Heer die hem bemind
 
En uitverkoren heeft ten heilgezant, ten vrind!
 
U, zoo als d' aanblik geen verganklijken vermogen
 
Te dragen, U met heel- uw- Godheid-vlammende oogen,
 
De doorgeboorde hand almachtig uitgebreid,
 
De voeten gloeiende van loutre heiligheid,
 
Doorwandlende allereerst de zeven kandelaren!1 -
 
U, straks, by 't lofgeschal der hemellegerscharen
 
De Leeuw uit Jesses stam, het Lam van God verklaard,
 
Die met Zijn bloed ze kocht tot koningen der aard! -2
 
U, op het witte paard der zegepraal gereden
 
In bloedrood heilgewaad, de macht van 't Beest vertreden,
 
Der heil'gen heir, gerijpt ter wereldheerschappij,
 
In 't blank gewasschen kleed U volgende in de rij! -3
 
U, eindlijk, Vredevorst op aard, voor alle volken
 
Gerechtigheid en heil gebieden uit de wolken,
 
By 't nederdalen van een nieuw Jerusalem,
[p. 140]
 
En 't wederleven van Gods dooden op Uw stem.1
 
Zoo zag, zoo hoorde van uit Patmos aakligheden
 
De Apostel in den geest U Davids troon betreden,
 
En zegepralen in den hemel en op de aard.
 
Voorts, eer der eeuwen loop dien heilstond heeft gebaard,
 
Aardschuddingen van uit den afgrond, - bliksemslagen
 
En ijssteenklompen, - pest en oorlog, - felle plagen
 
Als van 't aloud Egypte op 't later Babylon, -
 
Verduistring van het licht der sterren en der zon, -
 
By hemelstemgeluid de zegelen gebroken,
 
Fiolen uitgestort, bazuinen opgestoken, -
 
Rook, sulferdamp en vuur, in bloed verkeerde zeên, -
 
Verschrikking, angsten, en niet uit te spreken weên,
 
Van Logen en Geweld Godlasterende akkoorden!
 
Dat alles opgelost, by 't ruischen van Gods woorden
 
En 't zuchtend wachten van geheel het schepslendom,
 
In één, een éénig woord van uitkomst: ‘Kom, ja kom!’
 
 
 
Sjeb Limini! Gy zijt verheerlijkt in het midden
 
Van al Uw vijanden, die veinzend U aanbidden!
 
Ja, tegen U vereend, bracht Jood en Heiden t' zaam
 
U smaad en haat en dood! Straks de Uwen, om Uw naam,
[p. 141]
 
Vertredend, nam de Stad op 't Capitool gezeten
 
De plaats dier andere in, vervolgster der Propheten.
 
De Cesars folterden met scherp verfijnd vermaak,
 
Wie uitkwam voor Uw woord, wie vast stond voor Uw zaak,
 
Heel Rome's volk riep uit: ‘De Christnen voor de leeuwen!
 
En zy, in Uwe kracht, zy zegenden. - Drie eeuwen!
 
Daar wierp zich Rome, moê geworsteld, voor het kruis,
 
En Christnen noemde zich haar Keizer en zijn huis;
 
Was 't Staatkunst, (Gy, o Heer! Gy weet het!) en geen waarheid?
 
Hoe 't zij, daar bogen zich met glansrijke openbaarheid
 
Des werelds Machten voor des werelds Ergernis,
 
Des Nazareners naam! De Capitoolgod is
 
Gevlucht met heel d'Olymp van zijn bespotte altaren!
 
De leer van 't kruis dringt door by West- en Noordbarbaren,
 
En ook aldaar weldra plaatst zwaard en koningskroon
 
Zich onder 't needrig kruis. Vorstinnen, van haar troon,
 
o Jesus! voedsteren de Kerk, naar U geheeten.
 
De wereld zelve tracht Uw smaadheid te vergeten
 
En gaat U achterna, wien ze eenmaal heeft geslacht!
 
Straks keert ze, in weêrwraak van de hulde die ze bracht,
 
Tot gruwelen te rug, nog naauwlijks afgezworen:
 
De goôn van 't heidendom verschijnen als herboren
 
By beeld- en doodendienst! en bijgeloovigheên,
 
Als eenmaal Israël met Juda zinken deên,
[p. 142]
 
Bedekken 't licht der zon met zwarte sprinkhaanzwermen,
 
Of binden 't leven af in geestverstikkende armen.
 
 
 
Sjeb Limini! van om uw vuurvlamwitten troon
 
Gaan ook de donders uit, die gruwelen ten loon.
 
Het Oosten zag de straf van zijn verbastring rijpen:
 
Het kroost van Ismaël naar boog en pijlen grijpen,
 
Hem eerlang de oppermacht belovende der aard!
 
De Koran triomfeert by 't zwaaien van een zwaard,
 
Gods Evangelie niet, maar dwazen menschenvonden
 
Te sterk! en wederom leedt van des schepsels zonden
 
Gy, Heiland! Gy den smaad! waar de Islam met zijn sneeuw
 
(Licht!) kiemen overdekt, bestemd voor beter eeuw.
 
Dus zonk de Christenheid in 't Oosten; maar ook 't Westen
 
Zag menschenscheppingen zich op den grondslag vesten
 
Der eeuwen! Gy zaagt neêr, o Koning! de afgrond beeft,
 
De grafrots scheurt, en zie! Uw waarheidswoord herleeft,
 
Gelijk Gy zelf eens, uit den dood. In slaap gezonken
 
En nachtdamp hoorde de aard een stem! daar wederklonken
 
Gewetens, en Gods Geest gaf zijn getuigenis,
 
Dat in geen naam dan de Uwe, o Jesus! leven is,
 
Gerechtigheid en kracht; en 't heilbevel van boven
 
Geen werk eischt als der Wet, maar in Uw naam gelooven!
 
En 't was een stem op nieuw des roependen: ‘Bereid
[p. 143]
 
Den weg des Heeren en verbeid Zijn heerlijkheid!
 
Bekeer U tot den God des hemels van de goden
 
Der aarde, - tot Zijn' wil, van menschlijke geboden!’
 
Maar nog was 't einde niet! de wonde toegebracht
 
Aan Rome heelt zich, en daar rijst een nieuwe macht
 
(Des Ongeloofs!) die meê haar tijden moet doorloopen,
 
Tot dat Uw toekomst beider Babelbouw zal slopen!
 
 
 
Sjeb Limini! Gy zijt gezeten op den troon
 
Des hemels! maar op de aard bewegen zich de goôn
 
Der wereld en der hel met versch beproefde woede.
 
De zonde wreekt zich aan de zonde, die haar broedde,
 
De omwentlingstoortsvlam op de middeleeuwsche nacht.
 
De menschheid by dien gloed rijst op en proeft haar kracht
 
Aan werken des gewelds, aan werken der ontbinding!
 
Verlichting zonder U, wat wordt zy dan verblinding,
 
o Licht der wereld, Zon van waarheid en van heil!
 
Of 't menschdom 's hemels ruim of 's afgronds diepten peil',
 
En beiden ondervraag om 't Godsgeheim te weten,
 
Het moge Uw woord, Uw naam, Uw rijk, Uw komst vergeten!
 
Die komst zal dáár zijn als de nachtdief, onverwacht!
 
Dat Rijk zal komen als de bliksem, ongedacht!
 
Die Naam zal heerschen en dat Woord zal overmogen!
 
En reeds bewegen zich de krachten uit den hoogen,
[p. 144]
 
En woelt in heuvlen en gebergten barenssmart,
 
En grijpt die schok des Werelds Machtigen in 't hart.
 
De volken duizlen van zich zelf. De Wijzen vragen
 
Elkander naar het eind van deze vreemde dagen.
 
‘Is dit de morgen, die ons aanbreekt, van een tijd
 
Aan volksbevrijding, menschvergoding toegewijd?
 
Of keeren we eer terug ten bajert der verwarring?
 
En is dat somber licht, die vlam, slechts de opensparring
 
Eens hollen afgronds, ter verslinding toebereid
 
Van al wat ordning heet, en recht, en menschlijkheid?’
 
 
 
Sjeb Limini! - Hy is ter rechterhand gezeten
 
Der glorie, wien van ouds de schaar der Godspropheten
 
Als Isrels Koning aan heel 't aardrijk heeft beloofd!
 
Wat natie, Israël! als gy? van God ten hoofd,
 
Straks om uw misdrijf tot een staart gesteld van allen!1
 
Toch zal er van Gods woord geen stip ter aarde vallen,
 
Dat, o vernederd volk, waar eenmaal 't heil uit sproot!
 
Door U herstelling spreekt, ja, 't leven uit den dood!2
 
Gy werdt verstrooid, gy wordt geschud. Geschud als koren?
 
Zoo gaat geen korrel voor den grooten oogst verloren!
 
Verstrooid als schapen? Die u ziet en kent by naam,
[p. 145]
 
Brengt uit de streken der vier winden u eens zaam!
 
Hoore Israël! en hoort, gy volkeren! de woorden
 
Der Zienders, ons bewaard, 't Gezicht, dat aan de boorden
 
Des Chebars Buzis zoon1 voor oogen stond, en dat
 
Gy, Daniël! vernaamt in 't hart der wereldstad2.
 
‘De hand des Heeren was op my. De geest beroerde
 
Het merg in 't binnenste mijns lichaams, en Hy voerde
 
My over in het dal der dooden. 'k Zag het vol
 
Van beenders, lang verdord; en 't was of de aarde zwol
 
Om haar begravenen aan 't zonlicht weêr te geven.
 
Toen sprak Hy: Menschenkind! zal dit gebeente leven?
 
En 'k zeide: Gy alleen, Gy weet het, Heer mijn Heer!
 
Toen sprak Hy wederom, en zeide: Propheteer,
 
En zeg in Mijnen naam, dat deze dooden leven!
 
Want zie! Ik zal den geest des levens in hen geven,
 
Bekleedend hun gebeent met zenuw, vleesch en huid.
 
En 'k deed en sprak alzoo: en met een vreemd geluid
 
Verbonden zich allengs de beenderen te zamen
 
(Maar nog geen geest was dáár om 't lichaam te beâmen!)
 
En 'k zag de zenuwen zich vlechten, vleesch en bloed
 
Zich weven, de opperhuid van 't hoofd tot aan den voet
 
Zich strekken; en ik riep: Waak op, o Geest des Heeren!
[p. 146]
 
En doe de levenskracht in deze dooden keeren!
 
En ziet! Hy kwam. Hy blies. Een onafzienbre schaar
 
Van levenden stond op. Hy sprak: Die dooden dáár,
 
Zijn 't huis van Israël. Ging niet hun heilverwachting
 
Te loor? Werd niet hun hoop tot wanhoop en verachting?
 
En liggen niet verstrooid hun beenderen? - Maar Ik,
 
'k Zal oopnen, o Mijn volk! uw graven, Ik beschik
 
U 't leven, Ik het land gewaarborgd aan uw vaadren!
 
Ik zal uw stammen van des werelds einden gaadren,
 
En geven Israël en Juda zonder end
 
Van dagen Mijn' Gezalfde uit David. Ja, Ik ben 't,
 
De God der krachten, die de dooden op doe rijzen,
 
En Israël de trouw van Zijn Ontfermer prijzen!’
 
Aldus Ezechiël! hem antwoordde in de rij
 
Der Zienders, Beltsasar1 met droom en prophecy,
 
Als zijn verhelderd oog in verre nachtgezichten
 
Vier wereldrijken zag verrijzen, straks zag richten, -
 
Den troon des Eeuwigen, een vonklend vuur gelijk,
 
Des Schrikdiers hoorn ten val2 zich zetten, - 't koninkrijk
 
Den Zoon des Menschen en Zijn heiligen gegeven, -
 
Der Goddeloozen macht het aardrijk uitgedreven,
 
Verstrooid, verplet, verteerd, - by Goddelijk gericht
 
Den Draak3 geketend en het Vrederijk gesticht!
[p. 147]
 
Sjeb Limini! Gy leeft, wiens naam de hooge plaatsen
 
Van hemel beide en aard lofzingende weêrkaatsen!
 
Gy heerscht, Gezalfde Gods en, vóór alle eeuwen, Zoon!
 
Sjeb Limini! Gy zijt gezeten op den troon,
 
Dien Ge eenmaal dalen doet op een gelouterde aarde!
 
Het Godsbestuur, van voor des werelds grondslag, baarde
 
De volheid van dat woord, van eeuw tot eeuw herhaald,
 
Terwijl de hater woedt, terwijl de spotter smaalt!
 
En zeggen zal men 't, dat èn heuvelen bezweken
 
Èn bergen slonken, ja, dat heemlen zelve weken,
 
Maar aan 't Sjeb Limini, dat eens de Vader sprak,
 
Geen enkle heerlijkheid van eeuw tot eeuw ontbrak!
 
 
 
Of hoogten slingren heen en weêr,
 
Of de aarde zelf van plaats verander',
 
By elementen keer om keer
 
In bond of gisting met elkander, -
 
Daar blijft een licht, een kracht, een pand,
 
Wat ook ontvall', gegeven,
 
Dat Woord; ‘Zit aan mijn rechterhand!
 
En dat Uw haters beven!’
[p. 148]
 
Gy spraakt het, God van Isrel! uit,
 
En de oude harppropheten psalmden
 
By Sions tempelkoorgeluid,
 
Wat later eeuwen dus weêrgalmden:
 
‘Houdt Christus Zijne kerk in stand,
 
Dan moog de hel vrij woeden!
 
Gezeten aan Gods rechterhand,
 
Zal Hy haar wel behoeden!’
 
 
 
Die Koning van Gods heerlijkheid
 
Blijft heerschen zonder eind van dagen!
 
En gy, o volk, dat Hem verbeidt!
 
Hy ziet u worstlen, lijden, klagen.
 
Houd moed, klein kuddeke! houd moed!
 
't Heelal is hem gegeven!
 
En Hy, Hy gaf voor u Zijn bloed;
 
Hy leeft, en gy zult leven.
 
 
 
Hy heeft voor u den dood geproefd,
 
Voor u den vloek getorscht der zonden,
 
Voor u in 't doodendal getoefd!
 
Voor u is zonde en graf verslonden!
[p. 149]
 
Herleven gaat gy op Zijn stem?...
 
Neen! Wie in Hem gelooven,
 
Reeds zijn zy levende met Hem,
 
Met Hem gezet daarboven!1
 
 
 
Toon' dan der kruisbestrijdren macht
 
Zich in dees sombren tijd steeds driester!
 
Gesproken blijft het woord in kracht
 
Tot dezen Koning-Hoogepriester
 
Naar Melchisédeks ordening:
 
‘Gantsch versche legerscharen
 
Zal tot een laatste worsteling
 
De dageraad U baren!’2
 
 
 
Door lijden wordt het heerlijkheid!
 
Licht, eerst na middernachtlijk duister!
 
Bezwijk, mijn ziel! niet, maar verbeid!
 
Hy zal verschijnen vol van luister.
 
En reeds bestraalt een morgenster
 
Het onweêr dat zich gadert,
[p. 150]
 
En reeds vertoonen zich van verr'
 
De teeknen, dat Hy nadert!
 
 
 
Maak' berg op bergen opgetast
 
Den zoon van Babel dan vermetel!
 
Sjeb Limini! die berg staat vast,
 
En vast staat Sions Koningszetel!
 
En vast, o Christen! ook uw kroon,
 
En vast gantsch Israëls herleving!
 
Alleen! blijf staren op den zoon,
 
Met juichende overgave en beving!

1848.

1Luc. XXIV : 53.
2De twee Hebreeuwsche woorden (Ps. CX : 2) beteekenende: Zit aan mijne rechterhand.
3Hand. d. Apost. VII : 56.
1Jes. XXXV.
2Hand. der Apost. VIII : 1, 4 en volg.
1Hand. der Apost. IX : 4.
2Ald. IX : 1, 2. XXIII. 6.
1Matth. XXIII : 14.
2Numeri : XXIV.
3Joh. XVI : 2.
1Ps. XLV : 4-6.
1Rom. XI : 33-36.
1Openb. I : 13-15.
2Ald. V : 5-10.
3Openb. XIX: 11-16.
1Openb. XX. 11-15. XXI.
1Deuteron. XXVIII: 44.
2Rom. XI: 15.
1Ezechiël (I : 1, 3) en XXXVII.
2Dan. VII : 1.
1Daniël IV: 18.
2Dan. VII : 8-27.
3Openb. XX : 2.
1Eph. II: 6.
2Ps. CX: 3-5.
prepostterug  begin  verder