En de gantsche Vergadering maakte een verbond in het huis Gods met den Koning, en hy zeide tot hen: Ziet, de Zone des Koning zal Koning zijn, gelijk als de Heer van de zonen Davids gesproken heeft.
2 Chron. XXIII : 3.
Het klokgebom van oord tot oord
Plant voort het zieldoorvlijmend woord:
‘Aan de overzij van den Moerdijk
Daar ligt des Konings dierbaar lijk!’
De doodklok dreunt, heel Neêrland weent,
En om het Delftsche grafgesteent
Pleegt het den tweeden willem rouw,
Zweert het den derden willem trouw.
Een donder, plotsling afgekomen,
Heeft, Neêrlands hoogsten boom geveld.
De kroon is van ons hoofd genomen!
Gevallen is der helden held!
[p. 170]
De dag der smart is aangebroken;
Gesproken heeft der heeren Heer!
Wy krommen 't hart, van leed doorstoken,
Wy buigen 't hoofd verslagen neêr.
Geen Fransche heirschaar in slagorde,
Tuk op verplettende overmacht,
Geen bloed- en oproerdronken horde
Had ons die wonde toegebracht;
Geen kogels, langs de heuv'len fluitend
Of d'ijz'ren monden uitgebraakt,
Doch op den stouten oogblik stuitend
Van 't heldenhoofd, door God bewaakt!
En waar dan hy is aan bezweken,
De Oranje, dien ons hart betreurt?
Hoe is de levensgeest geweken?
Hoe 't stoflijk hulsel afgescheurd? -
Ach! banden klemmend om het harte,
Ach! leed door zelfbedwang vergroot,
Ach! Vaderrouw by Koningssmarte,
Zijn wapens te over voor den Dood!
[p. 171]
En, of het waar, het uur voorziende,
Leî hy de hand nog op zijn kroost,
En zorgde teêr voor wie hem diende,
En schikte d' arme nog zijn troost.
Daar zonk hy neder op zijn sponde,
Daar gaf hy, worstlensmoê, den geest.
Zij God Almachtig in die stonde
Zijn Herder en zijn Licht geweest!
Het klokgebom van oord tot oord
Plant voort het zieldoorvlijmend woord:
‘Aan d' oeverzoom van Maas en Rot,
Daar voert men 's Konings overschot.’
De doodklok dreunt, en Neêrland weent,
En roept by 't Delftsche grafgesteent':
‘De Koning stierf! aan 's Konings Zoon
Behoort ons hart by staf en kroon!’
Weemoedvol ziet Gy het, Dochter der Czaren!
Nevens u knielend by 't lijk van zijn Vorst,
Beelden herroepen uit de ebbe der jaren,
Laafnis maar voedsel voor 't leed dat Gy torscht!
[p. 172]
Vroeg werd uw weg in den zijnen geweven,
Spâ blonk uw ster op zijn stormige baan,
Zuster der Czaars, onzen Nassau gegeven,
Waardigste prijs voor roemruchtige daân!
Zagen wy, sedert, de kimmen betrokken?
Rezen de golven der volksheerschappij?
Wat ook Oranje bestond by die schokken,
Anna paulowna stond vast aan zijn zij!
Nederlands zonen, Nederlands vrouwen,
Smaken een bittere zoetheid in 't leed,
Met Haar te treuren, met Haar te rouwen,
Met Haar te gaan in het nachtzwarte kleed.
Konden zy troost voor Haar zielesmart vinden!...
IJdel vermeten! machtlooze wensch!
God heeft geslagen! wie zal verbinden?
God wil genezen! zwijge de mensch!
Aardsche vertroosting wordt distel en alsem;
Stemmen van Boven fluisteren zacht:
‘Christus op Golgotha! dáár is de balsem!
Christus is opgestaan! dáár is de kracht!’
Het klokgebom van oord tot oord
Plant voort het zieldoorvlijmend woord!
[p. 173]
Daar roept een stem plechtstatig af,
Dat tweede willem daalde in 't graf!
De doodklok zwijgt, maar Neêrland weent
En roept by 't Delftsche grafgesteent:
‘De Koning stierf. De Koning leef'!
En dat hem God Zijn zalving geef'!’
Nederland ontfangt zijn Koning uit die Vaderlijke hand,
Door wier weldaad sints drie eeuwen hier de Oranjeboom geplant
Voor de goudkleur zijner vruchten 't bloedrood aller tirannij
Deed verbleeken, deed verschieten, tot der zeeën overzij!
Neêrland heet zijn Koning welkom, dubbel welkom van dat strand,
Waar een and're derde willem uit het hart van Nederland
Met de vrijheid van 't geweten al die vrijheên overbracht,
Ongelijkbaarste aller glories van het Nassausch Voorgeslacht!
Nederland begroet zijn Koning, by 't gebrul van beider Leeuw,
Als den spruit dier vijftig Helden, die elkander eeuw aan eeuw
Steunend, volgend, of vervangend aan de spits van Neêrlands kroost,
Streefden, sneefden, kampten, duldden, onvermoeid en onverpoosd.
Nederland begroet zijn Koning als het Hoofd thands van dien stam,
Die, gerukt uit onzen bodem, ziel en welzijn met zich nam,
Maar geworteld in de harten, maar gegrondvest in de Macht,
Steeds ten teeken was en werktuig van bevrijding, uitkomst, kracht.
[p. 174]
't Vaderland ontfangt zijn Koning als diens Zwijgers stamverwant,
Die, Ontwerper, Kweeker, Vader van 't verbonden Nederland,
Voor dat Neêrland en zijn vrijheên, onder God door Hem gewrocht,
Heeft geleden, heeft gebeden, tot zijn jongsten ademtocht, -
Als den Zoon des fieren Veldheers, die by Quatrebras gebood,
En by Waterloo den eindstrijd met zijn gudsend bloed begoot,
En, niet enkel op het slagveld in der volken oogen groot,
Ook als Vorst bezielend dáárstond tot aan d' oever van zijn dood.