terug  begin  verderprepost
[p. 309]

David.aant.

2 Sam. XXIII : 1. David de zoon van Isa zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezelfde des Gods van Jacob en de liefelijke in psalmen Israëels zegt:
 
'k Ben jong geweest, 'k werd oud. Uw goedertierenheden
 
o God! zijn in mijn hart, de toekomst en 't voorleden
 
Omvattend. 'k Zal ze t' zaam tot aan mijns levens end
 
Verhoogen. Maak' mijn tong ze stervend nog bekend.
 
Aan 's werelds laatsten dag, aan 's aardrijks verste perken!
 
'k Zong, jongeling en man, de grootheid van Uw werken,
 
De wondren van Uw arm, Uw schepping, Uw gebod, -
 
Uw heilgeheimenis, o mijner vaadren God!
 
Naar U mijns harten dorst, o Hoorder der gebeden!
 
Uw wegen, by het licht van Uw weldadigheden,
 
Uw paden in den nacht van rampspoed, smart en schand.
 
o! Laat in d'ouderdom, laat, galmend van den rand
 
Des grafs, mijn jongste lied nog van Uw daden spreken
 
En koninklijke gunst, nooit van mijn hoofd geweken
[p. 310]
 
Van dat Gy zegendet mijn slinger en mijn zwaard,
 
En deze harp vooral, my meer dan scepters waard.
 
Ik leerde vroeg Uw naam, o God mijns levens! loven.
 
Grootvader Obed wees mijn kindschheid reeds naar Boven,
 
Met de onvermengde melk en honig van Uw woord
 
My lavende op zijn kniên. 'k Heb uit zijn mond gehoord
 
Het eerst - straks naverteld, hoe op Uw woord de gronden
 
Der wereld, op Uw wenk de aloude bergen stonden, -
 
Hoe ge Adam vormdet tot een levendige ziel,
 
Gelijknis van zijn' God, en hoe hy, schuldig, viel.
 
Maar, ook gevallen, had Uw hand hem niet begeven,
 
In 't Zaad der vrouw doet Gy zijn heerlijkheid herleven!
 
Daar komt een Goël voor het kroost uit Abraham,
 
Der volkren Silo in een Leeuw uit Judaas stam,
 
Als dit Ephráta meê, zy onder Judaas vlekken
 
De kleinste, (zy, kan 't zijn?) der volkren oog zal trekken. -
 
En ik, ik overdacht in de eenzaamheid Uw wet,
 
'k Vernam haar diepen zin by kinderlijk gebed,
 
En - licht en troost en moed en onbeschrijfbre krachten
 
Doorstroomden me uit die bron, als allerlei gedachten,
 
Vermenigvuldigd in mijn binnenst, vaak de rust
 
Verbanden van mijn sponde, - als op Uw dienst belust
 
Mijn hart zich wegen dacht om zich Uw volk te wijden,
 
Voor de eer mijns Gods, voor de ark mijns Konings, smaad te lijden, -
[p. 311]
 
Getroost, verheugd. - Wat hoorde ik, om die droomen, van
 
Mijn broeders niet al schimp? Ach! als mijn Vader dan
 
(Ook hy!) den driesten knaap te rug wees naar de weide
 
Der Schapen met een wenk, - ja, als my vader beide
 
En moeder tegen was, ontfing Uw oor mijn klacht,
 
En Gy, ten antwoord, gaaft my psalmen in den nacht.
 
 
 
Dan zong ik - van een glans ver boven deze heemlen
 
Waarin de maanbol drijft en gouden sterren weemlen,
 
Den glaas dier grootheid, die zich inlaat met onze aard
 
En uit der zuigelingen mond zich lof vergaârt.
 
Heer, onze Heer! Uw liefde, Uwe almacht, kent geen palen.
 
Gy doet ze aan al wat leeft door al wat is verhalen.
 
En wie zijn wy? wie zijn Uw menschenkindren, dat
 
Ons gadesla Uw zorg, Uw gunst ons waardig schatt'
 
Een lot en heerlijkheid, slechts voor een wijl beneden
 
Uwe Englen, straks verhoogd voor glansrijke eeuwigheden
 
Ver boven 't Englendom. - Gy hebt dat Koningsrecht
 
Hem in de verten van Zijn toekomst toegezegd,
 
Wien Ge over 't maaksel van Uw handen hoog zult zetten,
 
Wen, aan de voeten van dien Menschenzoon, Zijn wetten
 
Zal eeren al wat leeft en ademt en bestaat,
 
Van waar de zon ontwaakt tot daar zy ondergaat.1
[p. 312]
 
Ik zong, en 't was my vaak of 'k Englen hoorde luisteren
 
En over Bethlehem by harpgetokkel fluisteren
 
In wondren weêrgalm op mijn toonen: ‘Vrede op aard!’
 
En ziet! op eens - ik had mijn oogen moê gestaard
 
Op 't lichtend firmament, by beurten, en de kudde
 
Mijn zorgen toebetrouwd! - daar ritselde 't en schudde
 
In 't naastgelegen woud, en 'k zag - een ruigen leeuw
 
Zich duikend storten op het ooilam, met een schreeuw
 
Die me opdaagde als de kreet der wakkre dagherauten
 
Den landman, of gelijk Gods helden zich verstouten,
 
By 't knallen der bazuin van krijgsmoed overstort.
 
Mijn hart sprong op, ik voelde op eens my aangegord
 
Met Simsons wonderkracht! en dees mijn armen braken
 
(De sterkte is Uwe, o Heer!) de wijdgesparde kaken
 
Des roovers, tot hy lag. Straks op gebogen kniên
 
Den God der krachten, die Zijn heil my had doen zien,
 
Aanbiddend, riep ik uit: ‘o! Wie voor Isrels schapen,
 
Wie voor Uw kudde, o God van Jacob! eens te wapen
 
Geroepen, in dien strijd met meer dan leeuw en beer
 
Zich meten mocht, en aan de spits staan by het heir
 
Van Judaas duizenden! of dienst doen hem ter zijde,
 
Wien van uit Benjamin Uw heilige olie wijdde!
 
Ja, wie van Saül mocht een wapendrager zijn,
[p. 313]
 
En onder zijn banier verwaten Philistijn
 
En wreeden Ammoniet nog helpen nedervellen,
 
Of zijner zonen een' op tocht aan tocht verzellen!’
 
Dus sprak ik in een vlaag en mengeling van smart
 
En dankbaarheid en hoop. En 'k zweeg, diep in mijn hart
 
Bewarend, met nog meer mijns zielsgeheims te zamen,
 
Mijn zege op leeuw en beer - tot dat Gods tijden kwamen!
 
 
 
Zy kwamen - met wat eer en schittring nooit gedacht,
 
Wat Godlijk trouwbetoon aan Boöz nageslacht! -
 
Op my, van Boöz huis den minste, herdersjongen
 
Nietswaardig in het oog van allen, en doordrongen
 
Van nog veel dieper niet in eigen oog, voor God, -
 
Op my, wien naast mijn harp en herdersstaf geen lot
 
Begeerlijk scheen, dan ja! een zwaard hanteeren,
 
Om slavernij en smaad van Jeschurun te keeren,
 
Maar niet met koningen, met grooten in den Staat,
 
Mijn deel te hebben of te zitten in hun raad.
 
En toch! het was aldus, het bleek Uw welbehagen
 
Weldra, dat David eens de herderskroon zou dragen
 
En weiden in Uw gunst, - gelijk de schapen van
 
Zijn vader, - zoo Uw volk van Berseba tot Dan.
 
 
 
Hoe staat die wondre dag nog voor mijn scheemrende oogen,
[p. 314]
 
Toen op het eenzanm veld, aan aller blik onttogen,
 
En zuchtende tot God mijn Rotssteen, Jesses hand
 
My t' huiswaart wenkte op eens ter plechtige offerand
 
En feestmaal, straks verbaasd tot Ramaas Ziender leidde;
 
En 'k hoorde als in een droom zijn woorden als hy zeide:
 
‘De Heer heeft dezen zich gekoren uit uw zaad.’1
 
Daar stond ik voor den man, Uw dienstknecht, - zijn gelaat
 
Den worstlaar teeknend, die met tranen en gebeden
 
Genâ zocht nacht by nacht voor de ongerechtigheden
 
Van 't volk dat hem verstiet, - den Richter zonder blaam,
 
Wien Ebenezer prijst en Gilgals hoogten t' zaam.2
 
En hy, hy zag my aan met vaderingewanden
 
Of 't waar, en strekte lang de palmen zijner handen
 
Om hoog en over my. Toen zalfde hy mijn hoofd
 
Met olie, in den naam zijns Zenders hoog geloofd,
 
Met zalf, niet slechts mijn baard en kleederzoom besproeiend,
 
Maar, als des hemels daauw van Hermons toppen vloeiend,
 
Des harten binnenst overstelpend met een zacht
 
En zalig zelfgevoel als van des Heeren kracht; -
 
En 'k kende me op dien stond volwassen man en koning,
 
Doch koning, tot geen glans vooreerst van machtbetooning
 
Geroepen, maar tot kamp en menig zuren gang
[p. 315]
 
In bange ballingschap en doodsnood jaren lang, -
 
Tot dat me, o Heer! Uw trouw en Godlijk alvermogen
 
Als Uw gezalfden knecht op Sion zou verhoogen.
 
 
 
Tot Bethlem middlerwijl kwam menig vreemd verhaal
 
Van Saüls somberheên en ondoorgrondbre kwaal
 
En boozen kwelgeest, die de plaats had ingenomen
 
Van heldenblijdschap als zijn hart plach te overstroomen
 
In 't barnen van den strijd, of wen met dankbren groet
 
De stammen al te zaam hem juichten in 't gemoet,
 
Voor wiens gevelde spies hun haters bevend vloden.
 
Doch welk een oogenblik op nieuw, als koningsboden
 
Verschenen in ons vlek en Jesses jongste spruit
 
Bevel kreeg in der ijl te volgen! Harpgeluid
 
En zang (dus spelde een stem aan 's konings hof) zou de ooren
 
Des lijders voor een wijl verkwikken en bekooren
 
Niet enkel, maar zijn leed bemeestren, en den nacht
 
Gevallen op zijn ziel doen wijken voor de kracht
 
Van 't loflied God ter eer. En 'k ging, meer opgetogen
 
Van stille blijdschap dan verbaasd, dat dees mijn oogen
 
Den koning zouden zien in 't midden van zijn stoet.
 
Ja 'k ging, de vreugd der hoop in 't biddende gemoed,
 
Verzekerd, o! dat op den toongalm van mijn snaren
 
De vijandlijke macht haar prooi zou laten varen.
[p. 316]
 
Mijn harp! gy waaktet op. Gy loofdet, o mijn lied!
 
Den Heilige Isrels in Zijn wondermacht. En ziet!
 
Gy mocht Gods gunstling uit zijne starre dofheid wekken
 
En zetten in zijn toorn hem neder. 'k Zag zijn trekken
 
Ontspannen, 'k zag voor 't eerst den vorstelijken blik
 
Van 't naamloos angstgevoel, den onbestemden schrik
 
Weêr vrij, aan huis en heir bevel en richting geven.
 
Ik zag den koning in zijn schoonheid, hoog verheven
 
Met heel zijn edel hoofd en schouders boven al
 
Wat óm hem zich bewoog. Der jaren klimmend tal
 
Doet nog het grootsche beeld niet aan mijn ziel ontglippen.
 
Nog staat het vóór my, als ten dage toen de slippen
 
Zijns mantels in mijn hand al d'eerbied, al de trouw,
 
Verschuldigd aan dat hoofd, met kloppend naberouw
 
Herleven deden in dees boezem, steeds doordrongen
 
Van 't lot des Eedlen, in zijn dood door my bezongen:1
 
‘Hoe zijn de machtigen gevallen, - hoe, een smaad
 
By Gath en Ascalon geworden ons sieraad!
 
Gilbóa! aan uw kruin zij nooit meer daauw of regen
 
Gegund, waar in hun bloed de helden nederzegen,
 
Waar 't schild van Saül den gezalfde werd onteerd,
 
Het zwaard des veldheers, ach! naar eigen borst gekeerd, -
[p. 317]
 
De boog van Jonathan voor altijd ligt ontspannen!
 
Te zamen sneefdet gy, o bloem der oorlogsmannen!
 
Vereenigd in den dood, beminden! ligt gy dáár,
 
Die ge in uw leven waart, een moedig leeuwenpaar
 
Of tweetal arenden, de schrik der duizendtallen.
 
Hoe zijn de machtigen in Isrel, ach! gevallen!’
 
 
 
Maar de onvergeetbre tijd, die me aan des konings hof
 
Voor 't eerst naby bracht, had nog eindloos ruimer stof
 
Van weemoed aan mijn hart, van diepe nagedachten
 
Gelaten aan mijn jeugd. Mijn slapelooze nachten
 
Hernieuwden telken reis de droomen van den dag
 
Voor mijn ontsteld gemoed, en alles wat ik zag;
 
Het zij mijn oog van verr' die minlijkste aller vrouwen,
 
Des konings dochteren bewondrend mocht aanschouwen,
 
't Zij met des konings zoon mijn ziel, van d' eersten stond
 
Alreede, in wensch en zucht zich in 't geheim verbond
 
Tot wapenbroederschap, die eerst met later tijden
 
Zich openbaren moest in voorspoed, kamp, en lijden, -
 
Een liefde sterker dan de dood! Maar op dat pas
 
Gaf niemand acht nog op den herdersknaap, en was
 
Slechts kort in Saüls huis zijn harp en zangvermogen
 
Der grooten aandacht waard. Het wèl geslaagde pogen
 
Werd met een woord erkend van hoofschen lof en eer.
[p. 318]
 
Des konings lijden week. De jongling keerde weêr
 
Naar 't ouderlijke veld, en weidde op nieuw zijn schapen.
 
 
 
Hoe was 't me aldaar te moê, wen door zijn vorst te wapen
 
Gevorderd, Israël zijn weêrbre mannen zond
 
Uit al de stammen in oud-broederlijken bond
 
Den vijand te gemoet, Pasdammim1 ingetrokken; -
 
Toen van mijn broeders mede een drietal, onverschrokken
 
En juichend naar hun aart, zich spoedde tot het veld.
 
Wat tranen smoorde ik by dat afscheid! wat geweld
 
Deed 'k worstelend my aan, om niet mijns vaders woning
 
En weide en kudde en 't al te ontsnellen, en den koning
 
De dienst mijns arms te biên. Hoe gretig ving mijn ziel
 
Straks alle tijding op die ons te beurte viel
 
Van Sochoos legerkamp. o Leidsman van mijn leven!
 
Was 't niet van U, als voorts de boden achterbleven?
 
Van U niet, als me in 't eind (o nooit vergeten stond!)
 
Mijn vader in zijn angst naar 't dal der Eiken zond2
 
Naar mijner broedren en des legers welstand vragen?
 
Geen voeten schenen my maar vleugelen te dragen,
 
Als 'k ijlde op dat bevel. Ik voelde, een nieuwe dag
 
Was me opgegaan van U, mijn Levenszon! en 'k zag,
[p. 319]
 
Als in een vergezicht, Uw aartsweldadigheden,
 
Een Godsrivier gelijk, haar strooming steeds verbreeden,
 
En als de golven van een vollen oceaan
 
My dragen, my ter zijde en voor- en achtergaan.
 
Wie zal ze zeggen? wie heur menigte vermelden,
 
Van toen die vreeslijkste der Philistijnsche helden
 
Door 't steentjen van de beek geraakt werd uit een hand,
 
Te nietig in zijn oog, en reutlend zonk in 't zand; -
 
Van dat op Saüls wenk, in telkens nieuwe tochten,
 
Met telkens nieuw geluk besprongen of bevochten
 
De aloude vijand zelf voor Davids prinslijke echt
 
Den bruidschat leevren moest, een koning voorgelegd,1 -
 
Tot wen des jonglings lof, vermetel en ontijdig
 
In 't vrouwlijk lied verhoogd, als met zijn rechten strijdig
 
Den Heerscher argwaan gaf, des Veldheers toorn ontstak,
 
In 't vorstlijk huisgezin de liefdeketen brak.
 
Eerlang, en 'k moest, miskend en weerloos, om mijn leven
 
Èn huis èn gemalin èn Jonathan begeven,
 
En zoeken, zwervend, heil by norsche vreemden, neen!
 
By d' eigen Philistijn, zoo roemvol eens bestreên.
 
Gy zaagt, o Heer! wat in die nachtelijke dagen
 
Uw fel vervolgde knecht van jammer om moest dragen,
[p. 320]
 
Van Isrels tenten, van Uw tent en heiligdom
 
En offerplechtigheên verwijderd, - met een drom
 
Van uitgestootnen, als hy zelf, het land doorkruisend,
 
Dan eens van plek tot plek door Saül met zijn duizend
 
Benaauwd of opgespoord; dan kampend met gebrek,
 
Met oproer, met verraad, dan weêr op Amalek,
 
Dien hater Israëls van ouds, den aanval wagend,
 
Of wel den Gesuriet met staâgen oorlog plagend;
 
Maar Isrels herders steeds beschermend met ons zwaard.
 
In alle dezen heeft me Uw rechterhand bewaard,
 
o Heer! geen hair mijns hoofds ter krenking prijs gegeven
 
Aan Saüls lagen, als hy dorstte naar mijn leven,
 
Aan Doëgs snooden haat, aan Nabals steenen hart;
 
Veeleer, na elken smaad of doorgekampte smart
 
Mijn hoorn verhoogd te meer, mijn haters laag doen zinken
 
Of van Uw heil'ge wraak den beker ledig drinken.
 
Engédi, Maon, Ziph, getuigen van dien God
 
Mijns heils! en gy vooral, gy Ziklag! waar mijn lot
 
Een keer nam onverwacht, als zelden de eeuwen zagen
 
Of schrijvers boekten ter gedachtnis, in de dagen
 
Toen deze kruin, den dood nog pas der steeniging
 
Ontgaan, uit Judaas hand de koningskroon ontfing.1
[p. 321]
 
Heel Isrel volgde eerlang! ik zag de heirbanieren
 
Van 't twa lefstammig volk mijn troonsbestijging vieren.
 
'k Zag al wat Saüls was geweest, met heel zijn zaad
 
Gegeven in mijn hand. 'k Zag, meester van den Staat,
 
Te midden van een staf van drie en dertig helden,
 
Wier wedergade licht geen natie meer zal melden,
 
Onze oorlogsfaam gevest, - door wapenfeit aan feit
 
De grenzen van het land versterkt en uitgebreid, -
 
Den Syriër verneêrd, - met Edom aan mijn voeten
 
Den Moabiet in 't stof de aloude vete boeten, -
 
Onteigend Jebus stam, en Salem in mijn macht, -
 
Op Sions hoogten de ark des Heeren opgebracht,
 
En, als mijn hand dien God een tempel dacht te stichten,
 
(Voor Salomo, mijn zoon, thands de eerste zijner plichten,)
 
Het voorrecht my ontzegd, maar tot in eeuwigheid
 
Een Redder uit mijn huis aan 't menschdom toegezeid.
 
 
 
En daarom zullen U verheerlijken mijn psalmen
 
En van Jehovaas naam een wereld doen weêrgalmen,
 
Neen! by geen tent van Sem, geen spraak van Canaän
 
Beperkt, maar uitgebreid tot eindloos verder dan
 
Ooit Tyrus heeft vermoed. Een volk, nog ongeboren,
 
Zal door zijn harplied Uw verheven daden hooren,
 
En met my zingen van de wondren die Gy wrocht,
[p. 322]
 
Als Ge aan Mitzraïms goôn Uws volks ellend bezocht,
 
Of Isrel vestigdet in Palestinaas steden, -
 
En van Uw wondren ook aan my, die tot dit heden,
 
Met U, geen berg ontzag, door dichte benden drong,
 
Door diepe waatren ging, en over muren sprong.
 
Ja, hooren zal heel de aard en millioenenmalen
 
Haar einden, eeuw aan eeuw en dag by dag, herhalen
 
't Akkoord der hoogten van Uw heilgedachten, en -
 
Der diepte van mijn val en misdrijf. Ja! ik ben
 
In ongerechtigheên geboren, en in zonde
 
Ontfing mijn moeder my. 'k Voel 't snerpen van de wonde
 
(Ook by de heelkracht van Uw balsems, trouwe God!)
 
De wonde die Uw knecht in schuldig zingenot
 
En zondes dronkenschap zich zelven heeft geslagen
 
Op dien onzaligsten, dien grouwzaamsten der dagen,
 
Toen de oorlogsman, verstrikt in zelfgekozen rust,
 
Aan sterker vijanden zich prijs gaf onbewust,
 
Dan waar voor Rabbaas vest zijn helden tegen streden, -
 
Toen op het dak, ter sluik, de wandlaar ingegleden
 
In de onbewaakte borst zijn schrikbren intrek nam!....
 
Ach! om den valschen gast te onthalen, werd het lam,
 
Het ooilam van den vriend, den eedlen wapenbroeder,
 
Geroofd; straks door dien roof te stouter, te verwoeder,
 
Dwong de overweldiger een tweeden gruwel af,
[p. 323]
 
Des overspelers schand ter dekking en ter straf.
 
Neen! woorden zijn er niet voor wroegingen en smarten
 
Als die ik sints doorstond. Doorgronder van de harten!
 
Gy kent ze die ik leed! rechtvaardig, neen, te zacht
 
Veeleer - maar in Uw toorn hebt Ge aan genâ gedacht!
 
Gy weet het, Gy alleen, zoo lang dees lippen zwegen
 
Mijn ongerechtigheid bedekkend, wat al wegen
 
Ik uitdacht om, kon 't zijn, te ontkomen aan die vraag:
 
‘Waar zijt gy, Adams zoon?’ en dan eens, in een vlaag
 
Van krankte of razernij mijn doodschuld om te keeren,
 
Dan weder, opgegaan in 't heilig huis des Heeren
 
Met ongeheiligd hart, by psalmen en gebeên,
 
By tabernakeldienst en offerplechtigheên,
 
Te ontkomen aan my zelf, my zelven te vergeten,
 
Of, mooglijk! by die taal eens Satans mijn geweten
 
Te harden: - dat de man, wien God verheven had,
 
Uit kracht van koningsrecht Gods ordning overtrad!
 
Voor 't minst, geen moorder was als andre moordenaren!
 
 
 
Maar mijner beendren merg verouderde, mijn hairen
 
Vergraauwden middlerwijl, mijn sappen droogden op,
 
De krankheid mijner ziel steeg kankerend ten top; -
 
Toen deedt Ge in Davids oor, o God! den donder knallen
 
Van dat verplettend, ja! dat op den diep gevallen'
[p. 324]
 
Ter brijzling neêrgeslingerd woord: ‘Gy zijt die man!’
 
Mijn vonnis te gelijk en 't einde van mijn ban.
 
Want de ader was gemakt, des zondaars tranen vloeiden
 
Van uit des harten wel bij stroomen, en besproeiden
 
Den voetbank van dien troon, door eeuwig recht gestaafd.
 
Mijn nieren in mijn schoot beleden! - Gy vergaaft.
 
 
 
o Liefde, o heiligheid, die d' overtreder spaarde
 
Maar aan zijn zonde zelf een eeuw'gen krijg verklaarde!
 
Laat eeuwen zonder eind d' ontzachelijken stond
 
Verhalen, hoe 'k aanbad, - hoe door een zelfden mond
 
My aangekondigd werd vergifnis en kastijding,
 
Vergifnis onbegrensd, maar tevens van de ontwijding
 
Der gaaf, der gunst, des volks, des naams van Jacobs God
 
Een onverdelgbre vrucht voor heel mijn oovrig lot
 
Op aarde. 't Bloedig zwaard zou van mijn huis niet wijken,
 
Mijn vaderhart van rouw, van schande, vaak bezwijken,
 
By 't sterven, neen! veel meer by 't leven van een zaad,
 
Om ontucht, om geweld en doodslag, om verraad,
 
Befaamd in Israël, - tot dat ik zelf moest vluchten,
 
Meer dan van Saül ooit, veroordeeld thands te duchten
 
Van u, mijn Absalom! o nog te dierbre zoon,
 
Ter kwader uur, helaas! zoo schittrend en zoo schoon!
 
Van u, op wien mijn recht zoo schrikbaar moest gewroken,
[p. 325]
 
Toen met uw hart het mijn door Joab werd doorstoken,
 
Den wreedaart, die my dwong met opgeklaard gelaat
 
Te staren op den zoon, het offer van zijn haat!
 
 
 
o Heer! Gy hebt ook dus Uw boetling niet begeven!
 
Gy, eeuwig trouw, tot in dien avond van zijn leven
 
Zoo dreigend somber soms, zijn rechterhand gevat,
 
Zijn klachten niet versmaad, wanneer hy tot U bad
 
En riep uit diepten van ellenden! Gy, zijn paden
 
Verhelderd keer op keer! Gy, door steeds nieuwe daden
 
Beschaamd zijn haters, en geen kroost van Jemini
 
Doen juichen over hem, - den vloek van Simeï,1
 
Den raad van Bichri's zoon2 niet aan zijn ziel volbrengend.
 
Neen! maar zijn levensdag en heerschappy verlengend,
 
Hebt Gy zijn hoofd, zijn troon, van d' ondergang bewaard,
 
De aloude zege steeds doen kleven aan zijn zwaard, -
 
Voorts, op zijn loopbaan, voor te vaak ontvallen vrinden
 
Barzillais3 in den nood en Ornans4 hem doen vinden;
 
En, zoo ten jongsten schok in mijn bestormde ziel,
 
Met Joab aan de kroon ook Abjathar ontviel,
 
Benája my voor d'een', voor d'ander Zadoks wijsheid,
 
Der jeugd van Salomo en Davids late grijsheid
[p. 326]
 
Ten stut en steun verleend;1 toen van Adonia,
 
Zijns broeders Absaloms beklaagbre wedergâ,
 
De stoutheid werd gefnuikt. - Bij al die wisselingen
 
Bleef steeds mijn harp besnaard. 'k Vond krachten om te zingen
 
In dees mijn levensherfst, min glansrijk, als te zeer
 
Mijn lente was misschien! maar vruchtbaar des te meer
 
In zielsbevinding van Uw gadelooze wegen,
 
Uw wijsheid in de diepte. o! Lof en dank Uw' zegen,
 
Dat in des konings leed de zanger niet bezweek,
 
En nooit Uw Heil'ge Geest van zijn akkoorden week.
 
 
 
En thands! daar schonkt Ge op nieuw by d'uitgang van mijn leven,
 
o God, me in liefde en trouw dezelfde steeds gebleven!
 
Loftoonen aan mijn harp. Had lang genoeg een kroon
 
Mijn hoofd omschitterd, vaak omklemd? ik zag mijn zoon
 
(Jedidja, liev'ling Gods,2 was naar Uw welbehagen
 
Zijn toenaam van der jeugd), in spijt van hinderlagen
 
En haters om hem heen ten koning ingewijd,
 
De stammen met gejuich U lovend wijd en zijd.3
 
'k Heb voor Uw aangezicht of 't waar tot aan den drempel
 
Van d' op Moriaas top haast op te trekken tempel
 
Zijn jonglingsschreên geleid, mijn schatten in zijn hand,
[p. 327]
 
Uw zegen op zijn hoofd gelegd, ten onderpand
 
Voor hem, voor heel zijn volk, van Uw beloftenissen,
 
Waarvan geen sprank, geen stip, haar uitkomst ooit zal missen.
 
 
 
Doch welk een wedergalm uit hooger streken spreekt
 
Van dingen tot mijn geest, als nimmer afgesmeekt
 
Door menschen, of in 't hart eens sterv'lings opgestegen?....
 
By geen verganklijk zaad eens zondaars, by geen zegen
 
Voor Isrel, by geen troon voor Palestyne alleen,
 
Bepaalt de rijkdom zich dier heilverborgenheên!
 
Een meer dan Salomo, gesproten uit mijn lenden,
 
Gaat op, het licht gelijk, des werelds uiterste enden
 
Bestralend met een zee van heerlijkheid. De ster
 
Van Jacob wijst het pad aan volkren, die van ver
 
Zich haasten om de komst diens Redders te begroeten,
 
En meer dan Schebaas goud te leggen aan Zijn voeten!
 
Een schaar van koningen en wijzen werpt zich neêr
 
Zijn wet aanvaardend, of verstommend voor Zijn leer.
 
Maar d'onderdrukten zal Hy zijn gelijk een regen,
 
Die 't late gras begiet, verkwikkend neêrgezegen!
 
En zeegnen zal men Hem, zoolang van zon en maan
 
Aan 't hemelsch firmament de wiss'ling zal bestaan.
 
Neen! aan geen andre aldus van Uw gezalfde knechten,
 
Geen' menschenzoon als Hem, gaaft Ge ooit, o God! Uw rechten! -
[p. 328]
 
En toch! by al dien glans van goedheid, grootheid, eer,
 
Ook lijdenskelken, Davids Zoon en Davids Heer!
 
Uw deel? Ja, 'k Zag den held in diepe waatren zinken
 
En bodemlooze slijk. 'k Zag, afgemat, Hem drinken
 
Op 't slagveld uit de beek1 na 't slaken van een kreet
 
Van meer dan jammer, meer dan overstelpend leed,
 
Gelijk in 't felst der smart geen David immer kende,
 
Maar (mooglijk!) in een stond van namelooze ellende
 
Slechts voorgevoelen kon.2 'k Zie straks na dezen nood
 
Hem neêrgelegd in stof en banden van den dood; -
 
Maar ook aldaar zal geen verderving ondervinden
 
Gods Heil'ge, graf noch hel Zijn overschot verslinden,
 
Wien vreugdverzading aan Gods rechterhand verbeidt,
 
En lieflijkheden zonder eind van heerlijkheid, -3
 
Waar, neêrgezeten in gewijde krachtbetooning
 
Naar Melchizedeks wijs als Hoogepriester-koning,
 
Zijn scepter over de aard Zijn vijanden beheerscht.
 
Looft, looft dien Heerscher! Loof Hem, Isrel! gy het eerst
 
Op tempelciters en cimbalen! Looft, o volken
 
Der wereld! met Zijn volk, Hem wien Ge op 's hemels wolken
 
(Zijn wagen!) op den dag Zijns heils aanschouwen zult. -
 
 
 
De psalmen Davids, des zoons Jesses, zijn vervuld!
[p. 329]

* * *

De Geest des Heeren heeft door my gesproken en Zijne rede is op mijne tong geweest.
2 Sam. XXII: 3.
 
Ja, zanger! ziener in den geest!
 
Gods rede is in uw mond geweest
 
Tot by uw jongste harpakkoorden!
 
Met hen werd heel het aardrijk rond
 
Aan 't menschdom vrede en heil verkond
 
Tot aan des werelds verste boorden.
 
 
 
En wijken zal het wijd heelal
 
Eer dat een stip ter aarde vall'
 
Van 't geen beloofd werd uit uw lenden.
 
En meer dan zevenvoudigmaal
 
Zal heel de aloude orakeltaal
 
Uit die belofte zich volenden!
 
 
 
Aan Davids Zoon, aan Davids Heer
 
Lof en aanbidding, eeuwige eer,
[p. 330]
 
By heel Zijns volks Hosanna-galmen,
 
Waarvan in Bethlehem
 
Der Englen vreugdestem
 
Den aanhef hooren deed in loutre hemelpsalmen!

1851.

1Psalm VIII naar de opvatting van den Apostel Hebr. II:6-9 en 1 Cor. XV:27.
11 Sam. XVI: 12.
21 Sam. VIII: 8 -12 en XI: 15, XII: 1-5.
12 Sam. I : 17-27.
1Het Ephes Dammim van 1 Sam. XVII : 1 schijnt 1 Chron. XI : 13 Pasdammim genoemd te zijn.
21 Sam. XVII : 19.
11 Sam. XVIII : 25-27.
11 Sam. XXX en 2 Sam. II: 4.
12 Sam. XVI : 1-14.
22 Sam. XX : 1 en volg.
32 Sam. XIX : 31 en volg.
42 Sam. XXIV : 18 en volg.
11 Kon. I : 5-8.
22 Sam. XXII : 24 en 25.
31 Kon. I.
1Ps. CX: 7.
2Ps. XXII: 1. Matth. XXVII: 46.
3Ps. XVI: 7-11.
prepostterug  begin  verder