terug  begin  verderprepost
[p. 331]

Stilte.

 
Geen wolkje dreef er aan den hemel,
 
Geen windje suisde er in de blaân,
 
En als een spiegel glad en effen,
 
Stond de onbewogen Oceaan.
 
Daar streefde 't vaartuig onbekommerd
 
De blaauwe baan der baren door,
 
By wier door niets gestoorden vrede
 
Het weekste hart zijn vrees verloor,
 
Het moedigste vergeefs een voorwerp
 
Ter koeling van zijn strijdlust zocht.
 
Ik luisterde, en vernam geen murmling,
 
Geen zuchtjen op het zilten vocht,
 
Geen aanval, neen! van kokend zeeschuim
 
Op de onverzettelijke rots;
 
Maar louter vrede en zamenstemming,
 
By staking van het golfgeklots,
[p. 332]
 
Had overal den kamp vervangen
 
Der elementen met elkaâr,
 
En stil was 't strand, waarop de vloed wies
 
Met naauwlijks opgezette baar.
 
My dacht, geen dag was immer schooner,
 
Geen gouden zonneschijf bescheen
 
Met rijker stralen ooit te voren
 
Het lachend landschap om ons heen....
 
Daar lette ik eensklaps op den zeeman,
 
Die voor- op voorzorg nam aan boord, -
 
De lange kalmte van den hemel
 
Had hem - verschrikt meer dan bekoord,
 
Die door geen zucht gestoorde stilte
 
Een dreigend zeegevaar voorspeld,
 
Dat luchtazuur, door niets beneveld,
 
Een onvermijdbaar stormgeweld! -
 
De les drong door tot in mijn binnenst,
 
Ik zuchtte diep, want ik verstond!
 
Hoe! aan den zeeman had die lichtglans
 
Aanstaande donkerheên verkond?
 
En my - een oogenblik verheldring
 
Had me aller stormen vroeger woên,
 
Als waar 't in overmoed, vergeten
 
Ja, niet meer mooglijk wanen doen?
[p. 333]
 
Ik dacht alreê mijn boezem veilig
 
Voor 't bloeden van een nieuwe wond,
 
Na al de jammren die 'k doorleefde,
 
Na al de smerten die 'k doorstond.
 
'k Vertrouwde 't schijnsel, zonder aarz'ling,
 
Van een my vreemde voorspoedzon,
 
Ik waande dat na zooveel woelens
 
De dag der rust voor my begon!
 
Mijn hulk voortaan zou veilig drijven,
 
Tot ze eenmaal havende in het graf.....
 
Ach, anders leerde my het voorbeeld,
 
Dat my de ervaren zeeman gaf. -
 
Heer! vind' in U mijn hart de ruste,
 
Eer 't weder duister om my word'!
 
Heer! zoek' by U mijn ziel de toevlucht,
 
Eer haar de branding overstort'!
 
Te koen, te ruimschoots dorst ik hopen!
 
o! Dat ik, needriger te moê,
 
In U alleen de sterkte zoekend
 
Van 't zelfbetrouwen afstand doe!

Naar 't Engelsch.

 

1851.

prepostterug  begin  verder