[p. 334]
De barre rots.
Met het hoofd in de wolken,
Den voet in de kolken,
Staat by golvengeklots
Naakt en eenzaam de rots.
Te vergeefs op zijn toppen
Zijgen morgendaauwdroppen!
Te vergeefs ziet de maan
Lieflijk starend hem aan!
En geen zomerluchtzwoelte
En geen avondwindkoelte
Vermag iets op den aart
Van het ijskoud gevaart',
Waar zich bloemen noch bladen noch moschgroen op toonen,
En geen plant wordt gezien,
Om des kruidkenners vlijt met een schat te beloonen,
Of den zeemeeuw een nest voor zijn jongen te biên!
[p. 335]
Sombre steenrots! de lente keert weder,
't Dorre veld wordt bestrooid,
Wordt bekleed, wordt getooid, -
Maar op u blikt zy vruchteloos neder!
Op uw kruis past, voor krans,
Een verhevener glans.
'k Zag een leger van golven den aanval beginnen!
Zy liepen u aan,
Met schelden en slaan,
Met schuimende woede! Maar zouden zy 't winnen?
Of ook over u heen heel haar menigte gaat,
Zy breken, - gy staat.
Zy breken, zy wijken,
Van veêrkracht beroofd.
Daar verheft gy het hoofd;
Statig ziet men het prijken
Met paarlen van 't zeenat, met edelgesteent'
Als van ziltige tranen by 't zonlicht geweend.
Dus ook menig in God vastgeworteld gemoed!
Wen der tegenheên vaak overstelpende vloed
Voor een oogenblik tijds is geweken,
Zij de bloesem van vroegere weelde vergaan,
[p. 336]
Zij 't voor altijd op aarde met vreugde gedaan,
Voel' zich 't hart by herhaling nog breken; -
Toch verheft zich in vrede de geest naar omhoog,
By den daauwdrop der smeltende smart in het oog,
En men beurt uit ons wereldsch gewemel,
Als die eenzame rots
Uit het golvengeklots,
Naakt maar blinkend de kruin op ten hemel.
Naar 't Engelsch
.
1851.