terug  begin  verderprepost
[p. 342]

Aan Jonkvrouwe E.H. Luden, in antwoord op een aan my gericht vers.aant.

 
Jonkvrouw! was de harp des Dichters,
 
Op de wijs zijns volks besnaard,
 
U een wederklank, zoo zuiver,
 
Uit uw eigen dichtgeest waard?
 
Heil zij U, dat van dien harptoon
 
Neen! geen schoonheid, maar de stof
 
Op de schatting aanspraak maakte
 
Van uw zusterlijken lof!
 
Heil ook hem, zoo ooit zijn zangen,
 
Waarlijk ruischend God ter eer,
 
Zielen schokten voor zijn Heiland,
 
Harten lokten tot uw Heer! -
 
Jonge mededichteresse!
 
't Zij uw voorrecht en het mijn,
 
Van dien Meester vol genade
 
't Zeker eigendom te zijn!
[p. 343]
 
Aan Zijn voeten neêr te zitten,
 
Neêr te zinken by Zijn kniên!
 
En, verwaardigd Hem den danklof
 
Onzer zangen aan te biên!
 
Ik - met eerlang grijze hairen,
 
Van diens Konings zegetocht
 
Den bazuingalm op te vangen,
 
Dien ook Gy vernemen mocht!
 
Gy, - met maagdelijke teêrheid
 
Tegen elke levenssmart
 
Hemelstemmen in te fluistren
 
Aan 't ten hemel opziend hart!

1852.

prepostterug  begin  verder