terug  begin  verderprepost
[p. 344]

Ezechiël.aant.

 
Aan de oevers van een nederigen vliet,
 
Met stillen gang d' Euphraat in de armen loopend,
 
Zit eenzaam en verdiept in 't zielsverdriet,
 
Toch op den God van Isrels toekomst hopend,
 
Ezechiël, de balling, Buzis zoon.1
 
Ver uit zijn oog, blijft in zijn boezem leven
 
De Tempelstad, om naar Chaldeeuwsche goôn
 
't Chaldeeuwsche zwaard reeds eenmaal prijs gegeven,
 
Weldra op nieuw, om volks- en koningsschuld,
 
Ter plundering, ter pletteriug verwezen,
 
Omdat de maat des grouwels werd vervuld,
 
In priester en propheet ten top gerezen.
 
 
 
Aan d' oever van den Chebar zit de man,
 
Op Babylonisch erf van God geheiligd
 
Ten priester en propheet, en van den ban,
[p. 345]
 
Op Palestina wegende ach! beveiligd
 
Door 't zout - der vreemdlingschap, waarin hy zucht.
 
 
 
Op eens! zie daar, de heerlijkheid des Heeren
 
Omschittert hem.1 De Noorderstreek der lucht
 
Scheen zich een oogenblik in nacht te keeren!
 
Een wolk, van vuur bezwangerd en verlicht,
 
Snelde aan op vleuglen van den storm, - een wagen,
 
Door wonderwezens, vreemd van aangezicht
 
En vorm, in 't ruim bewogen en gedragen.
 
De raadren van dien wagen in zijn vaart
 
Doordaveren met donderende wieling
 
De vastigheên des hemels en der aard.
 
Toch dreigen zy maar brengen geen vernieling.
 
Het wolkgespan zijgt statig van omhoog;
 
En ziet! een troon, en op den troon, met vuren
 
Omvonkeld van saffier en regenboog,
 
Een man met majesteit omgord. Verduren
 
Vermocht geen sterflijk oog den gloed en glans,
 
Die om die lenden speelde, en half bezweken
 
By d' eersten blik, ontfangt de Ziender thands
 
Gezichten in den geest, en woorden om te spreken.
[p. 346]
 
Wat zag hy? zonde en afval van rondsom!
 
Gods Israël in wedstrijd met de volken,
 
Wie onrecht, snoodheid, en afgodendom
 
Godtergender zal staaplen tot de wolken!
 
Wat zag hy? dan eens Sidon, hoog van macht,
 
En Tyrus in den rijkdom van haar schoonheid,
 
Terwijl haar Vorst in volle Cherubspracht
 
Als in een Eden Gods zich zelf ten toon spreidt; -
 
Straks Tyrus beide en Sidon in het stof,
 
Een schriktooneel, een schande en smaad geworden;1 -
 
Dan weêr Jerusalem, niet meer een lof
 
Op aarde, maar een moordkuil van wanorden,
 
Adonisdienst, en vuile afzichtlijkheên,
 
Van uur tot uur ten oordeel aangeschreven, -
 
Geen maagd, geen huisvrouw meer der jonkheid, neen!
 
Maar overspeleres, van God begeven.2
 
 
 
Wat sprak hy? over Judaas stad en stam,
 
Gomorrhaas vloek en Sodoms zwavelregen!3
 
Van uit den hemel zengend vuur en vlam
 
Van pest, met schrik, uit d'afgrond opgestegen!
[p. 347]
 
Van Babylon, een uitgetogen zwaard,
 
Een zwaard ter wraak, ter slachting blank geslepen!
 
Geen vrouw verschoond, geen zuigend wicht gespaard,
 
Maar als door beulshand ten gericht gegrepen!
 
Beleegriug en benaauwdheid allerweeg, -
 
Bestorming en vernieling, ongeduldig
 
Naar prooi, - het land van zijn bewoners leêg!
 
Verstrooijing en ellende duizendvuldig!
 
Doch over Ammon mede 't strafgericht,
 
En over Moab, Edom, Philistijnen,
 
En wie nog meer by 't roerende gezicht
 
Van Isrels straf, van Judaas stervenspijnen,
 
De lip vertrok tot vreugde of hoongelach;
 
En over dat Egypte, by wiens paarden1
 
Gods volk van ouds zijn heil te zoeken plach,
 
Als zich Chaldéaas oorlogsbenden schaarden.
 
Ja, oordeel, straf en wraak, naar 't recht van Hem,
 
By wien geen onrecht werklijk is of denkbaar,
 
Vernam het oor, verkondigde de stem
 
Des mans, in God onwankelbaar, onkrenkbaar.
 
Maar toch nog meer dan louter strafgericht
 
Op tot den hemel schreiende schandalen,
[p. 348]
 
Werd hem getoond in 't hemelsch vergezicht,
 
Werd aan zijn stift vertrouwd om af te malen.
 
Neen! in geen pest en krijg en wraakbetoon
 
Voleinden zich de Godsverborgenheden.
 
Daar is, daar komt een dag van schrikbaar loon
 
Voor 't in Zijn weg volhardend overtreden,
 
Maar ook van heil, hoe ook uit smart gebaard, -
 
Van vrede zonder stoornis, zonder menging, -
 
Een dag van glorie van den Heer op aard,
 
En ook voor Isrel eens van wederbrenging.
 
De chaos van dit wereldsch stofgebroed
 
Wordt eens, wordt voor altoos, door licht vervangen
 
Van heiligheid en heerlijkheid, begroet
 
Door aller schepslen hulde en heilfeestzangen.
 
De zondvloed wijkt, de regenboog breekt door!....
 
De zoon van Buzi zag ook deze tijden.
 
Aardbeving, vuur, en stormwind gingen voor;
 
Straks werd het stilte, en, in die stilte, uit lijden
 
Het woord van deernis en vergeving, - 't woord
 
Van redding, van heraadmen na versmachten.
 
De Ziener hoorde en zong en plantte 't voort
 
In prachthebreeuwsche tot verre nageslachten:1
[p. 349]
 
‘Hoor, menschenkind! en propheteer,
 
En dat het Isrels bergen hooren,
 
Wat tot u spreekt der Heeren Heer,
 
Die zich ten tolk u heeft verkoren.
 
 
 
De spotkreet komt mijne eer te na,
 
Door Isrels haters aangeheven:
 
“Zijn eeuw'ge heuvlen werden, ha!
 
Zijn hoogten ons ten erf gegeven.”
 
 
 
Zoo hoor, o Israëls gebergt'!
 
En hoort, gy stroomen en gy dalen!
 
Het woord des Konings fel getergd,
 
En 't reik' tot 's aardrijks verste palen!
 
 
 
Ja, hoort het, vesten lang verwoest!
 
En niet meer kenbre stadsruïnen,
 
Wier ramp en roof getuigen moest
 
Van 't ijvervuur des Ongezienen!
 
 
 
Zie! 'k geef Mijn liefde weder lucht.
 
Voleind zij ballingschap en kommer!
 
Uw bergen dragen weder vrucht,
 
Uw boomen schenken weder lommer.
[p. 350]
 
Beroofd, geschonden, afgeplukt
 
Werd lang de Libabonsche ceder,
 
Zijn wortels werden uitgerukt,
 
Zijn breede takken smakten neder!
 
 
 
Maar op dien eigen Libanon
 
Doe Ik een hoofdtak wortel schieten;
 
De koestring zal hy van Mijn zon,
 
En van Mijn daauw het vocht genieten.
 
 
 
Dat 's hemels vooglen immermeer
 
In schaduw schuilen van dien ceder! -
 
Dat zal Ik geven, spreekt de Heer,
 
Ik die verhoog, Ik die verneder!1
 
 
 
Ge ontheiligdet Mijn dienst en naam,
 
Gy hebt uws afvals loon verkregen.
 
Het oog der volkren al te zaam
 
Zag u een toonbeeld Mijner wegen.
 
 
 
Doch eens (om uwentwille niet,
 
Maar 't rommlen Mijner ingewanden!)
[p. 351]
 
Voer ik naar eigen grondgebied
 
Uw stammen op uit alle landen.
 
 
 
Gevonden wordt gy in uw bloed,
 
Rein water zal Ik op u plengen!
 
Van zonden, nooit naar eisch geboet,
 
Zal Ik, Ik zelf, u zuiver sprengen.
 
 
 
'k Neem van u weg het hart van steen;
 
Een vleeschen hart zal Ik u geven,
 
Waar 't heilgebod, steeds overtreên,
 
Dan door Mijn Geest wordt ingeschreven.
 
 
 
Ja, geven zal Ik u dien Geest
 
Ten liefdebond, als nooit voordezen!
 
De voorge dingen zijn geweest!
 
Het zullen nieuwe tijden wezen.
 
 
 
Ik weêr uw God, en gy Mijn volk,
 
U zelf ten walg om zondevlekken,
 
Die als een nevelende wolk
 
Ik, uw Ontfermer, op doe trekken.
[p. 352]
 
Uw woestenij wordt weêr een hof,
 
Een Godewelgevallig Eden!
 
Uit reeds vergeten puin en stof
 
Herrijzen hemelschoon uw steden.
 
 
 
Zaagt gy die graven opengaan?1
 
Zaagt gy die beendren zich bewegen?
 
Die dooden op hun voeten staan,
 
Hun lange ruststede uitgestegen?
 
 
 
Die beenderen zijn Isrels zaad!
 
Ik heb Mijn' Geest in hen gegeven!
 
Hun naam, hun eer, hun kroon, hun staat, -
 
't Zal alles uit den dood herleven!’

1852.

11 Ezech. I : 1-3.
1Ezech. I: 4-28.
1Ezech. XXVI, XXVII, XXVIII.
2Ezech. VIII.
3Ezech. XVI.
1Ezech. XXV, XXIX, XXX.
1Ezech. XXX.
1Ezech. XVII: 22-24.
1Ezech. XXXVII: 1-14.
prepostterug  begin  verder