terug  begin  verderprepost
[p. 353]

Ecce homo.

 
Zie den Mensch! Des menschdoms zonden
 
Vlochten dezen Menschenzoon,
 
Onder smarten, slagen, wonden,
 
Een nooit meer aanschouwde kroon.
 
Doornen, uit den vloek geboren,
 
Prangen dat gezegend Hoofd,
 
Glorie, stralende uit wiens poren,
 
Al wat zon heet haast verdooft.
 
 
 
Zie die oogen, neêrgeslagen
 
Onder 's werelds hoongericht!
 
Smaadheên, koninklijk gedragen,
 
Oversluieren hun licht,
 
Oversluieren die blikken
 
Die door hart en nieren gaan,
 
Al wat schuld belijdt verkwikken,
 
Al wat hoog staat, nederslaan.
[p. 354]
 
Zie die schouders, hier omhangen
 
Met de purpren spotkleedij,
 
Door 't triumfkleed eens vervangen
 
Van de Christusheerschappij;1
 
Als de rietstaf zal verandren
 
In een scepter, nooit veroud,
 
IJzer voor zijn tegenstandren,
 
Voor zijn lijdend volk, van goud!
 
 
 
Toen de hoonkreet zich ontlaadde
 
Uit der moordenaren mond,
 
Zie die lippen vol genade,
 
o! Zy zwegen op dien stond!
 
Straks ontspanden zy zich weder
 
In een gadeloos: ‘vergeef!’
 
Aarde! hoor het en zink neder!
 
Luister, Sion! en herleef!
 
 
 
Zie die handen! haast doorgraven
 
Haar de naaglen aan het kruis!
 
Eerlang regenen zy gaven
 
Uit het hemelsch Vaderhuis!
[p. 355]
 
Eens van op de hemelwolken,
 
By bazuin en stemgeluid,
 
Breiden ze over alle volken
 
Vrede- en zegevol zich uit!
 
 
 
Zie den Mensch! den Afgedaalde
 
Van den Vader die Hem gaf!
 
Wien Onzondigheid omstraalde
 
Van de kribbe tot het graf.
 
Englenmachten, hemelkoren!
 
Geeft den Mensch, Gods eengeboren,
 
Onbeperkten lof en eer!
 
En gy, mensch door schuld verslagen!
 
Zie het Lam dat haar kwam dragen,
 
Zie den Mensch, uw God en Heer!

1852

1Openb. XIX : 11-13.
prepostterug  begin  verder