[p. 401]
De slag by Nieuwpoort. Eene bladzijde uit de geschiedenis van Neerlands roem en grootheid.
aant.
Grandiaque effossis mirabitur ossa sepulcris
.
Hoe zag in Nederland de zon zoo rood, de straten
Zoo doodsch! Kasteel en burcht van Edelliên verlaten!
Der burgren voorhoofd bleek en klam, terwijl de lucht
Van 't zwaaien van het zwaard, den val der bijlen zucht,
De houtmijt riekt en rookt, - het lied der Martelaren,
Gestemd in ballingschap en bange doodsgevaren,
Tot op 't schavot niet zwijgt van God en van het Lam,
Tot dat het stikt in 't koord, of wegsterft in de vlam!
Hoe viel een nacht zoo zwart op Nederland, na dagen
Als sints de Aposteleew geen latere eeuwen zagen!
[p. 402]
Want ook tot Nederland was doorgedrongen 't Woord
Uit Wittenberg herleefd, en 't had van oord tot oord,
Van Henegouwen en Artois tot aan de stroomen
Des Amstels voortgesneld, de harten ingenomen, -
Uitwendigheden, door der eeuwen duur versteend,
Ontworteld, - plechtigheên van 't Heidendom ontleend,
Of opgegraven uit de schaduwwet der Joden,
Geheel haar grond betwist van menschlijke geboden, -
Voor schitterschoon of schijn de rechten van ‘het Waar’
Gehandhaafd - 't licht der Schrift op zijnen kandelaar
Herplaatst, - de zuivre bron ontzegeld van het Leven, -
Den een'gen Middelaar Zijn eeuwige eer hergeven!
Het nieuw ('t aloud!) Geloof had, elken dwang ten spijt,
Conscientiën geschokt, conscientiën bevrijd!
't Had volle vijftig jaar, door
Karels
bloedplakaten
Gedreigd, gedrukt, gevoed, vervolg'ren en soldaten
In lange duldzaamheid het weêrloos hoofd geboôn;
Straks, in den grooten naam van Gods gezalfden Zoon,
Zijn smaad en kruis getroost, dat hoofd omhoog geheven
Om van zich zelf voortaan een rekenschap te geven,
Waaruit niet de onschuld slechts, maar de eisch der Waarheid bleek
By middagzonnelicht, in de openbare preek!
[p. 403]
En op die prediking, die versche wedergeving
Van 't levend Bijbelblad, was in het Land een beving
En koking als der zee vernomen, en een schaar,
Men weet niet door wat geest gedreven of van waar
Vergaderd, had op eens bewustelooze handen
Aan beeld en kunst gewaagd van Kerk- en kloosterwanden,
En 't zij haar ijver of haar plonderlust gekoeld
Als met der stormen vaart. De daavring was gevoeld
Tot in Segovia en 't koninklijke klooster
aant.
Naar 't streng model geraamd van foltertuig en rooster,
Weleer door Heidnen voor
Laurentius
, maar toen
Voor Christenen bereid door Christenen, ten zoen
Der nieuwe ketterij, - het eigen Woord des Heeren.
Om 't misdrijf met één slag zijn Volken te verleeren,
Van 't pestgif eens voor goed te zuivren heel het Land,
Zond weêr de Koning 't zwaard, het zwaard in
Alva
's hand,
En met dat zwaard, het vuur. Van edel en onedel,
Van Roomsch en Onroomsch, trof de bliksemstraal den schedel,
Uit de onheilzwangre wolk van 't Zuiden aangesneld.
De steden zijn vernaauwd tot kerkers, 't verre veld
Met vluchtelingen als bezaaid, wier herten bloeden
Om have, om gade en kroost, verbleven aan het woeden
Van 't Spaansche Veemgericht. Een wijl nog! en het woord
[p. 404]
Van Vrijheid, 't woord van Heil is door 't geweld versmoord, -
Maar niet die liefde, die geen waatren kunnen blusschen,
Geen graf verslinden, die ook nu de
Juniussen
aant.
Ontsteekt, en drijft om, meer dan immer onvervaard,
't Geloof te prediken, dat harten wederbaart,
In huizen, van den gloed der markt- en martelvuren
Beschenen, - onder 't dak van afgelegen schuren, -
In katakomben, afgesloten voor het licht,
Waarin de herder zijn verstrooielingen sticht.
Wie maalt, doorluchte Prins! in de aakligheid dier tijden
Het grievend boezemleed, het naamloos zielelijden,
Waarin, - had niet de Heer van Boven u behoed, -
Verzwonden ware uw hart, verslonden ware uw moed,
Die moed zoo hoog, dat hart zoo week en sterk te gader,
Ook waar u alles schijnt te ontzinken? Teedre Vader
Van Neêrland, op dien trap te Delft niet enkel, maar
Geheel een leeftijd dóór, gekoren Martelaar!
o! Zoo Gy, balling thands, den bijstand van een' broeder
Op 't vroome Dillenburg behoeft, ook nog een moeder
aant.
(U lang van God gespaard) was noodig, waar uw hart
Zich aan ontlasten mocht van nog gantsch andre smart, -
Naast al die kwellingen, die bannen en die banden
Waarin de bloem vergaat van 's Konings Nederlanden, -
[p. 405]
De smart des kankers van een huislijk zielsverdriet,
Zelfs voor geen Zwijger meer verzwijgbaar. Neen! hy ziet
Geen teedre
Montpensier
, geen
Anna
meer
Van Buren
,
Met hem één ziel, één zin, zich in die hachlijke uren
Ter zij staan, maar wie thands de Oranjekroon en eer
En stamnaam naast hem voert, ach! eene die veel meer
aant.
Zijn stam een schande werd, zijn eedle borst een doren!
Straks wordt, tot overmaat der vuurproef hem beschoren,
Zijn zoon, zijn een'ge, - pand van onvergeetlijke echt
aant.
In schier vergeten jeugd, - met schending van het recht
Vau Brabants Hoogeschool, van d' erfrang van Oranje, -
Door
Vargas
opgedaagd om, gijzelaar in Spanje,
Zijn Vader dag aan dag een pest te zien verklaard,
Heel 't Neêrlandsch volk een bent, 't licht van Gods zon onwaard.
o! Was 't in Neêrland nacht, van uur tot uur verdikking
Der tastbre duisternis, en van rondom verschrikking, -
Ook over Nassaus erf en Dilles oeverslot
Scheen op dien nacht van leed en ongenâ van 't lot
Geen morgen denkbaar meer, - voor tranen en gebeden
De naadring tot Gods hart, waar 't mooglijk, afgesneden,
En op herademing de laatste hoop verbeurd.
Als, ziet op eens! aan 't zwerk een open wordt bespeurd;
De dampen allerweeg verdeelden zich en weken;
[p. 406]
Een vriendlijk sterrelicht (dat Neêrland, schier bezweken,
En adem scheppe èn juich'!) begroette met een glans
Van welkomst en van heil d' alouden burchtslottrans!
Wees welkom, teedre scheut, ten hoogen eik geboren!
aant.
Een zoon, op nieuw een zoon, was
Willem's
stam beschoren!
Gy zult Graaf
Maurits
zijn! de Vrijheid, in 't gemoed
Ontkiemd uws Vaders, straks met kostbaar burgerbloed
Beregend, wacht van u haar grond om op te bloeien,
En in de ruimte Noord- en Zuidwaart uit te groeien.
Wees welkom aan de spits dier Machabeesche teelt
Van Wrekers, in Gods gunst aan Neêrland toebedeeld!
Want ja! om Neêrlands zaak met Nassaus zwaard te helpen,
Stond
heel
het Stamhuis op, de Leeuw met al zijn welpen
Ontvlamde, en wenkte, of 't waar, van op zijn blaauwend veld
aant.
Den rossen Liebaart toe, om 's Vreemdlings aartsgeweld,
Zijn vloten en zijn vloek, zijn donders en zijn klingen,
Te trotsen en te staan. Daar brulden zy en gingen
Met statelijken stap, vereend van zin, op buit,
Op buit van oorlogsroem en heil'ge vrijheid, uit!
Zoo was het, toen de kamp werd opgevat met Spanje
Op dood en leven, zege of ondergang. Oranje
Door eigen broeders, eerst en teêrst, in elken nood
[p. 407]
Gevolgd, of voorgegaan, bevond tot in den dood
Zijns vaders huis getrouw. Had niet een zelfde moeder
In nachtlijke gebeên aan der verdrukten Hoeder
Heel 't Vijftal toegewijd, ten dienste van Zijn rijk?
Dien
Hendrik
nog zoo jong, dien een'gen
Lodewijk
,
aant.
Van wie de Mookerheî de lijken met het leven
Verslond, na dat voorlang ‘Graaf
Adolf
was gebleven
aant.
In Friesland in den slag.’ Met zijner vaadren goed
Verbond Graaf
Jan
zich zelf, en zijner zonen bloed!
aant.
Ziet gy die zonen zich om 't nieuwe Stamhoofd scharen? -
By 't aadlijk jachtvermaak? - In de ernst der doodsgevaren
Van slagveld en beleg? - Een uitgelezen stoet,
All' Ridders zonder vrees, all' Nassau's hoog van bloed,
Maar nederig van hart, - voor 't minst, wie u geleken,
U,
Maurits
trouwste vriend, en meer dan vriend gebleken,
In 't kamp als in den raad u zelven steeds gelijk
In vroomheid, ootmoed, deugd, Graaf
Willem Lodewijk
!
o Flonkerster, zelfs naast dien
Maurits
niet verbleekend,
Maar vaak door zuivrer gloed nog boven hem uitstekend!
o! Zie ze t' zaam in 't veld, twee Duitsche Scipioos,
aant.
Of Dioscuren, maar wie hooger hand verkoos
Ten dienst van beter zaak en Vaderland. De harten
Der volkeren gaan meê, waar dees den vijand tarten,
[p. 408]
Verrassen, fnuiken, slaan, te scheep, te paard, te voet,
Met uitgezocht beleid, met teugelloozen moed.
De Spanjaard geeft zich lucht in smalen, dreigen, brallen,
Met Parma zelf aan 't hoofd òf plotsling overvallen
Of schrander afgeleid, maar overal bestookt,
Van Schelde, Maas, en Waal, tot waar de Dollaart spookt. -
Straks, als na tocht op tocht de lang geworden nachten
Tot schorsing van den kamp Natuur's bevelen brachten,
Gunn' 't Winterleger vrij aan Overste en soldaat
Voor 't afgerende lijf by stilte of feestvreugd baat, -
Voor 't jeugdig Heldenpaar heeft geen verpoozing waarde,
Waarby hun 't rustloos brein geen nieuwe plannen baarde
Van schade en nederlaag, den vijand toegedacht,
En op he kaart reeds dáár! Men ziet ze, dag en nacht,
aant.
Zich oefnen in de taal en krijgskunst van Oud-Romen,
De tafel, lang en breed, door strijders ingenomen
Uit volgzaam lood gebootst, om aan Quiriet of Griek,
By 't licht der Wetenschap, geheimen van taktiek
Of legerleidingskunst te ontwringen. Op de dreven
Van 't Haagsche ridderplein wordt de Oudheid in het leven
Herroepen, schild en speer hanteerend, naar 't bevel
In nieuw-Teutoonsche spraak. Het manlijk kinderspel
aant.
(Waar was ter wereld ooit een scheppende gedachte,
Die niet een wufte hoop voor halven waanzin achtte?)
[p. 409]
Begroet met schampren spot, of glimlach hoog en koel,
Rechtvaardigde weldra de diepte van zijn doel:
Geplant was de oorlogsschool, wier kloeke kweekelingen
Der Middeneeuwen glans en glorie gaan verdringen
Door 't huwen van heur kracht aan regel, orde, tucht,
Bereekning, wetenschap, ja, wiskunst die, bevrucht
Door d' adem van 't genie, 't bereik vermenigvuldigt
Van 's Veldheers scheppingen. Geheel Europe huldigt
Den Stedendwinger, door wiens oog en staf bezield
Het heir, geen rotsklomp meer die neêrploft en vernielt,
Maar levend lichaam werd. Zie met hoe rappe leden
Het op- en afwaarts streeft trots duizend tegenheden,
Straks op het slagveld zelf èn dicht èn keert èn zwenkt,
Zijn wendingen volvoert, zich inkrimpt of verlengt,
En aanvalt of ontwijkt naar de aangeleerde wetten;
Of, stroomen langs en door,
hier
opdaagt om te ontzetten,
Daar
ijlings aangerend als met een vlaag of ruk
Van storm of wervelwind, de panden stuk voor stuk
Van Neêrlands kostbaar erf op Spanje weêr komt winnen.
Niet anders dan wanneer met ingespannen zinnen
Twee spelers worstelen op 't vorstlijk schaakvierkant:
Het paard in dol galop, de toren langs haar rand
Of strakke rechtelijn, neemt man voor man gevangen.
De vorstlijke Amazoon doorzwiert en dunt de rangen
[p. 410]
Des Tegenkonings, wien, naar alle zijden bloot,
Geen keuze langer rest, dan overgave of dood!
Maar by geen schaakstrijd, neen! tot meer dan dertigmalen
Beproefd aan vest by vest, aan stad op stad, bepalen
Die zegetochten zich, steeds blinkender gelukt,
Waarvan de weêrgalm nog het nageslacht verrukt,
En 't hart in vlammen zet van dichters en van helden!
Onovertroffen Hoofd! men zag op de open velden
Uw krijgskunst even diep, uw krijgsvolk even stout.
Getuigt het, Thieltsche heide, en torens van Turnhout!
aant.
Waar
Varax
ruitren eens zoo hoog de borsten droegen,
Straks
Maurits
honderden hun duizenden versloegen;
En Neêrland riep: ‘Hy zag, Hy kwam, God overwon!’
aant.
Het was de Morgenster van Nieuwpoorts gulden Zon!
Ontzachlijk Guldenjaar! aan wat herinneringen
Uit twee en dertig maal voltogen jubelkringen
Sloot zich de duinzang aan, gehoord van Vlaandrens kust! -
Was Vlaandren, was de Kerk, zich 't uur nog wel bewust,
Toen 't opgetogen Gent met luide lofgezangen
Het vijftiende eeuwslot vierde, en op zijn schoot ontfangen
En welkom juichen mocht d' aanstaanden Erfgenaam
Van
grooten Karels
kroon, en van dit Neêrland t' zaam
[p. 411]
Met Spanjes op één hoofd gedaalde Koningshoeden!
Toen, wen zich groot en klein op dezen hoogtijd spoedden
Naar hofpoort of kapel, tot hulde of dankbetoon,
In naam van Romes Kerk aan haren nieuwen Zoon
aant.
Door Neêrlands Abtenschaar de rol werd aangeboden
Der Schriften, met dat woord van
Jesus
, door de Joden
In 't veeg Jerusalem vernomen: ‘
Onderzoekt
!’
De stem, voor later stond niet vruchteloos geboekt,
Vond reeds in
Karels
dag haar wondere vervulling.
Voor 't zwaard des Geestes sloeg het uur van zijn onthulling:
De Bijbel aan den leek hergeven! Door de kracht
Van 't doorgebroken licht werd straks tot stand gebracht
Die machtige ommekeer, - die gisting, eerst, en scheiding
Van elementen, lang verbonden, - voorbereiding
Van nieuwe vormingen, - waaruit ook Gy ontstondt,
Aloud Gemeenebest van 't Stichtsche Staatsverbond!
Op eens volwassen en in vollen dosch geboren
Nieuw Neêrland! waart ge een plant tot hoogen groei verkoren?
Of slechts een wolkenbeeld, dat wegstuift? - Tachtig jaar
Van dwars door 't onweêr heen en rots- en strandgevaar
Voorbeeldeloozen koers beslisten 't, eer nog Vrede
Haar olie uitgoot op de branding! En gy mede,
o Strand van Nieuwpoort, waar der Helden blinkend bloed
In 's Lands gedenkrol schreef: ‘Ja, God bleef Neêrland goed!’
[p. 412]
Wat pracht van kielen, met wat vracht van oorlogslieden,
Voor Rammekens, vermoeit zich 't luchtruim te bespieden,
Of de adem, die de wolk haar richting geeft en vult,
Aan der tienduizenden ontstoken ongeduld
Haast laving brengen mocht van uit een frisch Noord-Oosten.
't Geldt Vlaandren met dat heir! 't geldt, om den Zeeuw te troosten!
Duinkerken met die vloot! Hoe gaat ze
Joost de Moor
In 't turen op dat nest van waterwolven voor!
Hoe
Warmond
, uit den stam dier oude
Wassenaren
Met Hollands varensvolk zoo monter op de baren,
Als aan der Eedlen hoofd, sints Holland Holland heet,
Ter kruisvaart en tournooi en leenmansplicht gereed!
Helaas! hoe laat de mast zijn blanke vleugels hangen,
Als moedloos, dat de lucht zich weigert aan 't verlangen
Van scheepling en soldaat, en, blazende uit den Zuid,
De zeegolf opruit, en met tergend windgefluit
Het krijgsontwerp belacht en tegenstreeft der helden,
Verwinnaars reeds in hoop op slag- en pekelvelden!
Wat spelt die wederstand, zoo kwellend voor den moed
Die voorwaart dringt en drijft? Van nu aan tegenspoed?
En neêrlaag? toen, vooral, de jongste Junijdagen
't Ontzaggebiedend heir in twee gescheiden zagen.
Het volk, de Schelde langs by Philippine's schans
[p. 413]
Ontscheept, vernam op eens het keeren van de kans.
Hy vond geen vijand hier, in eigen krijgsgelederen
Door muiterij geknakt, en ijlings te vernederen, -
Maar eenen, die veelmeer by d' eersten invalskreet
Om legervaan en Hoofd herzameld en gereed,
En eer verrassend dan verrast, de Staatsche benden
Te woord stond. Leffinghem scheen onafzienbre ellenden
Te spellen, toen Graaf
Ernst
in Nieuwpoorts ochtendstond
Den fel betwisten, voet vóór voet bevochten grond,
Bezaaid met vaandelen, en acht maal honderd lijken,
In 't eind ontgeven moest, en naar Ostende wijken.
Zoo was dan 't voorgevoel, aan half het land gemeen,
aant.
Niet ijdel, toen de schaar met zuchten en geween
Uit Dordrecht en den Haag zijn dappren begeleidde,
En, door geen glans verblind van wapenpraal, niet scheidde
Dan luid' weeklagend, dat een Hoofd, zoo onvertsaagd,
Zoo kostbaar, aan den raad der Baatzucht wordt gewaagd
Op avonturen, die èn Prins, èn heir, èn schepen,
En Vrijheid, èn Geloof in 't wis verderf gaan slepen!
Neen - dat zal God verhoên, de God van Nederland,
De God, o
Maurits
! van uw vaadren, -
Hy
, Wiens hand
Het lot der volken stiert, de kans der Legerscharen.
[p. 414]
Uw moed, steeds kalm en koel, had van des volks bezwaren,
aant.
Door kundig Hoofd aan Hoofd getrouw uiteengezet,
Geen enkle zich ontveinsd. Thands was u de eerste Wet
Gehoorzaamheid. Uw oog, een wijl - wellicht - betrokken
aant.
By 't hachlijk aanzien van den dag, staat onverschrokken.
't Had eerlang alles en in alles stout voorzien,
Om op den mullen grond den Spanjaard 't hoofd te biên,
Die, overmoedig op zijn bloedige ochtendzege
En tuk op nieuwen roem, vast aanspoedt. Allerwege
Groeit 's Prinsen leger aan, doorstreeft het zand, doorwaadt
De kil, laat los de stad, bezet de vlakte, en staat
In liniën geschaard, straks op een wenk der oogen
Van stelling wisselend, en naar den eisch bewogen
Van ieder nieuw bestaan der felle weêrpartij.
Daar staan zy, nog zoo korts elkaêr van wederzij
Een stip of dunne streep in de oogen, - duizendtallen
Geordend om, in 't eind, elkaêr op 't hart te vallen,
De krijgskreet op de tong, de zegepraal in 't oog!
Een dubble donderbui gelijk, aan 's hemels boog
Met sombre plechtigheid opkomend, de een in 't Zuiden
En de ander uit den Noord. Met angst en schrikgeluiden, -
Met stilte banger nog, - verbeiden veld en vee
De botsing, - 't aardrijk zucht of 't ware in barenswee.
Straks, lang genoeg geperst, ontladen zich de wolken
[p. t.o. 415]
[p. 415]
In vuur- op vuurschicht, die met hagelsteen en kolken
Van regen, met gedruisch van hoos en wervelwind,
Verwoestend neêrschiet, en de hoop des jaars verslindt.
De zon, wanneer zy keert aan de uitgeraasde transen
Beschijnt het treurtooneel met nog onzeekre glansen,
Maar verwt den regenboog, die
Noachs
lijdend kroost
Van uit dat eigen zwerk èn heil belooft èn troost.
Kronijk van d' ouden dag, en overleveringen
Des gullen tijdgenoots, wel nimmer om te dingen
Naar Clioos eerloof of den lof der poëzij,
Beschreven, maar van praal en ijdlen opsmuk vrij,
Of met nog ruwe stift aan magen en beminden,
aant.
En onder d' indruk zelf van eigen ondervinden,
Getuigd! Gy, schijnbaar dor, toch in de aanschouwlijkheid
Van 't zonder kunst van stijl stout neêrgeworpen feit
Zoo rijk aan leven, rijk aan dichtstof, voor den dichter
Verheffend tevens en beschammend, in verlichter
Misschien! maar, trots zijn trots, niet dichterlijker tijd.
Meldt uit dat schittrendst vak van tachtigjaar'gen strijd,
Meldt enklen ons voor 't minst der wederzijdsche helden
aant.
[p. 416]
Van uit het worstelperk der Vlaamsche zeezandvelden; -
En hoor' het nageslacht, bewondrend en in dank,
Na vijf maal zestig jaar, dier namen grootschen klank,
Der natie lieflijk of barbaarsch, doch waar de glorie
Van heel een eeuw in spreekt, geheel eens volks historie!
Zegt van der Staten heir, de rangen van den Geus,
Het eerst, den bloem en keur, - de aanvoerders, die de keus
Des Veldheers door hun trouw rechtvaardigden, - de mannen
Wier lange ervaring, met de diepte zijner plannen
Vertrouwd, den zin begreep, of ried, van elk bevel, -
Den wenk voorkwam des noods, - dan pijl- of kogelsnel
Tot stand bracht, - Oversten van voetvolk, in de krijgen
Sints
Alva
, lang gewoon van rang tot rang te stijgen,
En Ruiterhoofden, die vooral sints dezen dag
Den Spanjaard noopten tot erkenning en ontzag.
Geen deel van 't Stichtsch Verbond, of 't had op deze velden
Zijn aandeel in den roem, en leverde zijn helden.
Uit Friesland, aan de spits der vendels van
Nassau
,
Streed
Taco Hettinga
, wien
Grovestins, de Blaeu
,
Assuerus, Ripperda
, op Spaanschen, Walen, Ieren,
By de oopning van 't gevecht reeds hielpen zegevieren.
Uit Utrecht en zijn Stift was 't regiment ontboôn
[p. 417]
Van
Huchtenbroek; Calvaert
, en Jonker
Jan van Loon
,
Wien 't Vaderland eerlang Ostende toebetrouwde,
Met
Rijsenborgh
, gezegd de Maarschalk van Abcoude.
Voor Zeeland, wien de dood op 't Leffinghemsche bed
Drie Hopliên afsneed, stond
van Prince
, met
Pagnet
,
aant.
En
Rolle
, en
Ingenhave
, en beide
van der Nooten
,
aant.
Wier vaders, om den bond in
Pallandts
zaal gesloten
Berooving, ballingschap, en wederspoed getroost,
Hun zwaard vermaakten aan een zegerijker kroost!
Van 't oovrig Nederland, aan Zuiderzee of Schelde
Gelegen, aan den rand van Hunze of IJssel, telde
Het leger heel een schat van zonen, vaak van naam
Of afkomst Waalsch of Vlaamsch, maar met Noord-Neêrland t'zaam
Volhardend in den kamp, verbroederd aangevangen
‘
Voor God en Gideon
!’ - of in dezelfde rangen
aant.
Sints eeuwen t' zaam genoemd:
Van Gent, Imbyse, Blois
,
Hertaing
, en
Baertenberg, Ghistelles
, en
Dubois
,
Met
Herauguières, van den Tempel, Randerode
,
En vijftig anderen, die 't lied des Dichters noode
Voorbijsnelt, - maar niet u, in voor- of tegenspoed
Van Balen
! even koen, wiens nooit verlegen moed
Voor Nieuwpoorts wallen mede in 't hachlijkst uur besliste,
En, - wie geen evenknie dien voorrang ooit betwistte, -
Ontzachlijk driemanschap van
Baxen
, gaadloos groot
[p. 418]
En fabelachtig stout! - Maar ook den Bondgenoot
Moog 't Hollandsch nageslacht met wilg- en palmtak eeren!
Gaf niet Brittanje ook hier zijn schittrende
De Veren
,
aant.
Lord
Grey de Wilton
, en Sir
Robert Henderson
,
aant.
En
Edmund
, kolonel die van soldaat begon?
Die beiden moest eerlang het heldenmoedig leven
Voor Neêrlands zaak en wraak op Neêrlands grond begeven! -
Aan zijner Zwitsren spits vecht als een leeuw of stier
Hans Kriech
,-met d' eigen moed, wellicht met losser zwier,
De Fransche strijdgenoot:
Dussault, La Simendière
,
By d'
Ommervilles
vaan; en gy - o! blijf van verre
Voor 't minst nog dezen dag, te wakkre
Châtillon
!
aant.
Bloem al te ras verbloeid by de eerste lentezon!
Moest dan in Neêrland meê bloed uit de hartaâr stroomen
Van martlaar
Coligny
? Moest, Nieuwpoorts storm ontkomen,
Ostende, toen ze in 't end den puinhoop overgaf,
Ook afstand doen van u en uw gelauwerd graf?
In 't midden van dat heir, de menigte dier dapperen
Uit half Euroop vergaârd, prijkt, kenbaar aan het wapperen
Der op den hoogen helm geplante Oranjepluim,
De Prins, op 't blank genet dat, overdekt van schuim,
Met brandende oogen en van drift bewogen manen,
De trilling uitdrukt, hem met al die legervanen
[p. 419]
Gemeen, van ongeduld en schier onhoudbren gloed.
Oranje
temt dat vuur, en in zijn rijken stoet
Van Anhalts, Holsteins, Solms
, Gebieders, Graven, Heeren,
Gekomen om naast hem de kunst des krijgs te leeren, -
Het fnuiken aan te zien der Spaansche hovaardy, -
Blikt welgevallig op twee broeders aan zijn zij':
Justinus
, d'Admiraal van Zeeland,
Willems
basterd,
Maar om geen andre vlek licht by zijn stam gelasterd,
En
Fredrik Hendrik
, die met tranen en gebeên, -
aant.
Dat toch des Veldheers last zijn prille jeugd niet speen'
Van dees gerijpten oogst van lauwren en gevaren,
Niet weêr te wachten vast in eeuwen of in jaren, -
In 't eind zijns broeders hart een hachlijk ‘ja’ ontwrong,
Thands, steigrend naast hem, juicht! Zoo leert het arendsjong,
Op zijner oudren vlerk met liefde en lust gedragen,
Het spoor ten wolken in, trots dreigende onweêrsvlagen!
Dees tegenover staat
Albertus
, Cardinaal
aant.
Primaat van Spanje, straks èn Bruigom èn Gemaal,
En sints vierdubbel held in 't vuur. Ook hem omkringen
Veldoversten van naam, doorluchte Vreemdelingen:
Montelimar
, van ouds de vijand van zijn Vorst;
aant.
D'
Aumale
die, als hy, naar kamp met ketters dorst,
aant.
En liever hulde brengt aan Oostenrijk en Spanje,
[p. 420]
Dan,
Lotharingens
zoon, en bloed van
Charlemagne
,
Aan de oude Ligue ontrouw, met klanken flaauw of valsch
Voor
Hendrik van Bourbon
te buigen knie of hals. -
De Graaf
van Reifferscheid
leidt op zijn kurassieren
Uit Duitschland, - uit Milaan met keur van Cavalieren
aant.
Graaf
Balbiano
zijn vrijwilligers, naast
Rho
,
Pallavicini, Buongiovanni, Fabio
,
Der
Fabiussen
van Oud-Rome - zoo zy melden -
Nog steeds herkenbaar kroost. - Ook België zendt helden
En namen, rijk aan roem in allerlei bevel
Of dienst in vrede en krijg:
Richardot, Pilmorel
,
aant.
En
Longueval-Bucquoy
, en, die hem heeft vervangen
aant.
In 't opperste bevel van zijner Walen rangen,
Vliesridder Graaf en Heer
Lannoy Lamotterie
,
Met dien ten Veldheerstaf, door kracht van krijgsgenie,
aant.
Van scheermes en lancet geklommen
La Barlotte
.
Die adeldom en dood met d'eigen lach bespotte,
Schoon by dien adel om zijn opkomst min misschien
In arren moed benijd, dan om zijn deugd ontzien.
Ter eer van 's Keizers bloed, ter viering der Infante,
Door 't Vaderlijk besluit Voogdes noch Gouvernante,
Maar Erfvorstin voortaan der Nederlanden, geeft
Hier Spanje, of 't waar op nieuw, al wat het kostbaarst heeft
[p. 421]
Van strijders, Oversten, en ridderlijke loten:
Toledoos
, uit één tronk met
Alva
voortgesproten,
Monroy, Arosteguy, de Silva, Carvajal
,
Met
Torres
, uit het bloed der kroon van Portugal,
aant.
Met
Bracamonte, del Villar
en
Espinosa
,
Zapéna, d' Avalos
, - en gy, vooral,
Mendoza
!
aant.
Uit glorierijker huis geboren, dan wellicht
Het huis uws Konings zelf, dat voor den praal schier zwicht
Uws breeden stambooms en zijn tallelooze zonen
Uit twintig takken, met Hertogelijke kroonen
aant.
En Gravenwrongen en banieren overlaân,
De prijs van ridderdeugd en oorlogsheldendaân
Niet slechts, maar wijsheid mede, aan 't roer der Koninkrijken,
In 't purper van de Kerk bewezen, by het prijken
Ook met de palm der Kunst! - Beklaagbre, wien dees dag
Geen nieuwe lauweren om 't voorhoofd slingren mag.
Geen afkomst baten zal uit zoo doorluchte Vaadren,
Geen onverbasterd bloed in eigen levensaadren,
Geen titels eener Gade, erfdochter van Colon,
Die met America Castielje en Arragon
Vermenigvuldigde. - 't Is in dit natte Noorden
Ons, zonen van Euphraat-, Jordaan-, of Ebroboorden,
Te kil, - te kil voor 't minst, wanneer geen schooner zaak
Den arm te wapen daagt, dan Inquisitiewraak,
[p. 422]
Der middeneeuwsche Kerk ter heillooze eerbetooning,
Tot elken prijs gewild door een ontzinden Koning. -
Ga, eedle Arragonees, ga, fiere Castiljaan!
Zing van uw Cids den roem, waarvoor de Halvemaan
Van uit Asturiës onwinbren hoek bedwongen,
Verbleekte en nederzeeg, van plek tot plek verdrongen
Tot Calpes overzij! of brenge later dag
U versche gloriën uit grootschen slag op slag,
By Salamanca's en Toulousen, op de Gallen
Behaald naast
Wellington
, - uit Saragossa's wallen,
Het aandeel van wier asch in d' Europeeschen strijd
Uw
Palafoxen
zelfs door Moscow word' benijd!.....
Maar in zijn duinen is de koele Nederlander
Te huis en meester. Ziet! èn ros èn staf èn stander
En voeten glijden uit in 't doolhof van dit zand.
Gy zult dees avond nog, roemruchtige
Admirant
!
Nadenkend aan den disch uws Overwinnaars spijzen,
En, eerlijk Edelman, eens vijands krijgskunst prijzen!
Maar vóór het vallen van den avond, en nog vóór
Dat de Arragonner weg en degen hier verloor,
Wat deinend wisslen van de hoop! Wat overspanning
Van woede, ginds en hier! Wat steeds op nieuw vermanning,
In duizenderlei vorm, van duizenderlei dood!
[p. 423]
Wat uit de diepten zelf van lijfsgevaar en nood
Weêr aangegrepen moed, trots wreede lichaamspijnen!
Wat daavrend moordmuzijk: geknal van karabijnen, -
Gekletter van het staal, dat indringt of verplet,
Het pantser beukt en deukt, - geknetter van 't musket, -
Waaronder 't schutgevaart uit zijn ontsloten kelen,
Uit zee, van strand, op 't veld, begonnen in te spelen,
Of dondrend uit het zand, door
Maurits
kunst bevloerd,
Zijn grove basstem mengt. De waatren zijn ontroerd,
En rijzend met den vloed bezetten en beëngen
De ruimten van het strand en worstelperk, en brengen
Den strijd steeds dieper in het duin. De zon, - de zon
Van uit haar loopplaats, sints het vreeslijk pleit begon,
Streed meê, en blindde 't oog der Spaansche tegenstranderen,
Door diep beleid belet hun stelling te veranderen.
De ontknooping draalt, neen! wijkt. Een pijnigend verlangst
aant.
Naar de eindbeslissing, een van weêrzij zeldzame angst
Bevangt en overmant de harten, niet om leven
Of lichaam, sedert lang het krijgslot prijs gegeven,
Maar om de zege of smaad van Spanjes kroon en vaan!
De vraag: zal Nederland stand houden, of vergaan?
Heel Neêrland, Zuid en Noord, deelt in de hachlijkheden
Van d' ongelijkbren dag, door hoop en vrees bestreden
[p. 424]
By beurten; naast en meest Ostende, waar het zwerk
Aan oog of oor van verr' den gang van 't oorlogswerk
Laat gissen of verstaan, - of 't enklen vluchtelingen,
Dwars door den vijand heen, gelukte door te dringen,
Met weiflend antwoord op der fel bedreigden vraag
Naar dezen eb en vloed van zege en nederlaag.
Daar 't eerst is de uitslag dood of leven. Daar vergaadren,
Benepen en benard, 's Lands uitgetrokken Vaadren,
Met
Oldenbarnevelt
, de wijsheid van den Staat! -
Of met een hart, dat thands niet slechts van onrust slaat,
aant.
Maar ook van naberouw in 't end? - Hoe 't zij, met oogen
Bedaauwd, met knieën voor Gods Almacht neêrgebogen, -
Gy in hun midden, vroome en eedle Casimir,
Met handen, hier niet meer zich klemmend om rapier
Of staf van Veldheer, maar gevouwen, opgeheven
Ten hemel, om, ook Gy dien
Josua
in 't streven
Te sterken, die nu draagt de hitte van den strijd,
Tot de overwinning door
uw
moeiten ingewijd!
aant.
Maar ook nog elders in des Spanjaarts Nederlanden
Stijgt uit een boezem, door nog andre dan de banden
Van eenerlei belang en haardsteê aan het lot
Van
Maurits
volk verhecht, een smeekgebed tot God! -
Ziet ge in dat rijk kwartier van Brabants hoogen adel
[p. 425]
Dat hofplein? - op dat plein die knechten, toom en zadel
Aanbindende aan een stoet van rossen, als ter vlucht
Gereed gehouden op het eerste schrikgerucht? -
En ziet ge in dat vertrek, dat bidvertrek, dien Grande
En Ridder van het vlies, pas met gejuich ten lande
Verwelkomd by den trein van 't Aartshertooglijk paar? -
En ziet ge op dat gelaat die Nassaustrekken, maar
Meer Spaansch, meer somber, met een schaduw overtogen
Van lijden, doch beheerscht door manlijk wilvermogen? -
't Is, - twee en dertig jaar na d' onvergeetbren roof
Van Leuven, - 't is diezelfde, in Spanjes Kerkgeloof
En hofdwang en den boei zijns eigen rangs omsloten,
Phlips Willem van Oranje
! ook hy, een leeuw gesproten
Uit leeuwen, en zich zelf het leeuwenhart bewust, -
Maar ach! als een wiens aart kunstmatig werd gesust,
Wiens oog verdofte, die het tergende beletsel
Van 't houten traliewerk en splinterig staketsel
Verafschuwt, en ontziet; dan weêr een oogenblik
Zijn staat vergetende, den tuin vervult met schrik,
Wanneer hy ver in 't rond dat diep gebrul laat hooren,
Waaruit de Woudvorst blijkt. Dus ook de Vorst, geboren
Uit zoo verheven stam tot zoo verborgen kamp.
Maar neen! op dezen dag verschrikt geduchter ramp
Dat prinselijk gemoed. Wien zullen de oorlogskansen
[p. 426]
In dit ontzachlijk uur met de overwinningsglansen
Begunstigen? Wien 't hoofd doen bukken in het zand? -
Of Spanje en Habsburg, of Oranje en Nederland?
Dat Spanje bracht hem groot, dit Neêrland was zijn moeder!
Albertus
is zijn vriend, en
Maurits
is zijn broeder,
Zijns vaders zoon, zijn naam, zijn bloed, - dat bloed, die band,
Behoudt in 't barnen van den zielskamp de overhand.
En zie, ook deze, by een kruisbeeld neêrgevallen,
Smeekt voor eens broeders hoofd met Hollands duizendtallen!
En weder elders werd gebeden, - werd geroemd, -
Te Brussel op dien dag. - Van 't schittrendst hofgebloemt
Van Staatsjonkvrouwen, rang- en stam- en Echtgenooten
Van Brabants Edelen, Paleis- en legergrooten
Omgeven, voert het woord de fiere Aartshertogin,
Met kalme majesteit, met d' opgeruimden zin
Der blijdste zekerheid. Heeft niet haar moed de muiters
Voorgister nog getemd, voor de opgezeten ruiters
Verschenen in den dosch van 't mannelijke staal
Met mannelijke klem in vrouwelijke taal?
En zou dat leger, meer dan immer aan zijn plichten
Herinnerd, in zijn trouw geen wondren thands verrichten?
Of mag zy minder van de ster van haar Gemaal
Verwachten dan èn heil èn volle zegepraal
[p. 427]
Op 's Geuzen overmoed? "Houdt vast uw hart, Mevrouwen!
‘Gy zult aan deze plaats weldra den leeuw aanschouwen,
En 't welpjen aan zijn zijde, in banden. Hoe de Held,
De Stedendwinger, eens voor goed in 't open veld
Ontfangen, hier zal staan? hooghartig, of verslagen?