[p. 437]
Aan mijne jongste dochter op den dag harer eerste avondmaalsviering.
Voici l'Homme
.
St. Jean XIX. 5
b
.
Voici votre Roi
.
St. Jean XIX. 14
b
.
o Dierbre dochter, wie voor tweemaal negen jaren
Eens moeders biddend hart ter doopbesprenging bood!
Wilde onzer vaadren God ons dan nog 't voorrecht sparen
Om aan eens Heilands disch ook u als feestgenoot
Te aanschouwen - ook
dees
telg in 't midden der gemeente
Begroet te hooren met den zoeten zusternaam?
Hoe dringt die zegen ons door ader en gebeente!
Hoe zeegnen we u op nieuw met heel ons huis te zaam,
Weemoedig tevens 't oog naar die gewesten heffend,
Waar reeds een deel ons bloeds ons voorging by den Heer!
Hoe zien we u dankbaar aan, met ons de plicht beseffend,
Met ons den liefdedrang gevoelend, Hem ter eer,
[p. 438]
Hem, volgzaam en getrouw voortaan ter eer te leven,
Die, trouwe Herder, om ons leven leed en stierf,
En, door geheel zich zelf voor ons ten prijs te geven,
't Onmooglijk mooglijk maakte, en zondaars 't Heil verwierf.
o Dochter! dat uw hart, steeds voor Gods waarheid open,
De panden van dat Heil geen enkel uur vergeet':
Noch 't
water
dat als kind u 't voorhoofd heeft bedropen,
Noch wat ge op dezen dag by
brood en wijn
beleedt!
1859.