terug  begin  verderprepost
[p. 449]

Toelichtingen, behoorende bij de Kompleete Dichtwerken van Da Costa.

Waarin tevens zijn opgenomen de Voorredenen en Aanteekeningen des Dichters bij de verschillende uitgaven zijner werken.

Bladz. 1.

[aan de leden der tweede klasse van het koninklijk-nederlandsche instituut, enz. De intrede van dit jaar 1844 werd bewolkt door finantiële bezwaren van 's lands schatkist, waarin door de bekende Vrijwillige leening werd voorzien, tot wier welslagen Da Costa grootelijks het zijne toebragt door het schrijven en uitgeven van zijn opwekkings-woord, getiteld: Landgenooten! met het oog op God, blijft Nederlanders, en vereenigd! Men zie hierover vooral Het Leven van Willem II beschreven door J. Bosscha tweede uitgave bl. 676 en volg. Na deze gelukkige uitkomst gaf hij het volgend lied: Aan Nederland in de lente van 1844 uit. De slotzang neemt den toon en gang over van een in die dagen veel gezongen lied, het zoogenaamde Rhijnlied van Becker, waarin tegenover de vrees voor Fransche veroveringsplannen door de Duitschers gezongen werd:

 
Sie sollen ihn nicht haben,
 
Den freien Deutschen Rhein, enz.

Overigens spreekt in dit gedicht, aan des Dichters medeleden in het Instituut toegezongen, duidelijk genoeg zijne ingenomenheid met dit geleerde lig-

[p. 450]

chaam, van welks Tweede klasse hij sedert 1839 lid, en meermalen Voorzitter was. In eene openbare vergadering van die klasse, in 1840 gehonden, las Da Costa zijne Vijf en twintig jaren voor, het gedicht waarin, zooals hij zelf het uitdrukt, zijne lier na lange rust het stilzwijgen weder verbrak: later werden bij soortgelijke gelegenheid op gelijke wijze ook andere dichtstukken voorgedragen. Over zijne werkzaamheid en ijver als medelid des Instituuts zie men de Levensschets van Koenen. Hij zette de kroon op zijne bemoeijingen ten behoeve dier inrigting door de warmte, waarmede hij, bij hare bedreigde en straks gevolgde slooping, hare zaak tot het einde toe hielp bepleiten. Na de herleving van die Instelling in gewijzigden vorm niet als medelid in haren boezem te zijn opgenomen, was Da Costa eene wezentlijke grieve, voor welke hij in hem van elders toekomende blijken van waardering en bewondering naauwelijks vergoeding vond.]

Bladz. 14.

[aan den heer johannes muller. Groot en innig was de achting, door Da Costa aan dezen waardigen en eerwaardigen man, even geleerd boekenkenner als bekwaam boekhandelaar, en in de laatste betrekking uitgever van enkele zijner boekwerken, steeds toegedragen en betoond: eene achting die op meer dan bloot letterkundige sympathiën berustte. Geen wonder, dat de Dichter de gelegenheid aangreep om van die waardering ook in eene kleine dichterlijke hulde te doen blijken.]

Bladz. 15.

[feestdronk enz. Men vergelijke de Toelichtingen van Deel II bladz. 484.]

Bladz. 17.

[in het album van dr. a. de vries. De hoogbejaarde, thans negen en tachtigjarige leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem mogt, èn als broeder van Jo. de Vries, èn als vriend van Bilderdijk, zich mede in de genegenheid van diens Dichters dichterlijken zoon verheugen, waarvan deze regelen de eenvoudige, en toch door christelijken ernst en getrouwheid treffende uitdrukking zijn.]

[p. 451]

Bladz. 18.

[aan dr. g.e.v. schneevoogt. De hier bezongen Hoogleeraar, toenmaals eerste Geneesheer aan het Buitengasthuis te Amsterdam, stond onzen Da Costa bij de zware ligchaams- en zielskrankheid van zijnen eerstgeborene Willem Daniel met vriendschappelijke deelneming en ijvervolle zorg bij. Met toespeling op de eerste droevige aanleiding dezer vriendschap bevat dit gedicht de uitdrukking van het warm gevoel van erkentenis omtrent dezen geneesheer, dat Da Costa tot zijnen dood behield.]

Bladz. 20.

[aan dr. m.j. verkouteren. Ook aan den geneesheer Verkouteren, in den laatsten tijd zijns levens den gewonen arts van hem en de zijnen, wijdde de dankbare Dichter een woord van hulde en erkentenis. Had hij hem opentlijk zijnen dank voor diens onvermoeide en onvermoeibaren ijver in zijne jongste ziekte kunnen betoonen, deze zou nog luider en hooger hebben geklonken. Dr. Verkouteren verpligtte het daarin belangstellend gedeelte des publieks aan zich, door de mededeeling in Koenens Levensbericht van des Dichters historia morbi, welke den loop zijner stervens-ziekte beschrijft.]

Bladz. 21.

[aan dr. d.j.a. arntzenius. Zie over dezen en zijne betrekking tot Da Costa de Toelichtingen van Deel II bladz. 485.]

Bladz. 23.

[bij het graf van mr. dirk graaf van hogendorp. Dit gedicht werd reeds in de Zangen gedrukt, maar, bij vergissing, met weglating van hetgeen hier het tweede couplet is. Door de vriendelijke tusschenkomst der Gravinne-Weduwe is hier die vergissing hersteld. Overigens, hoe warm de in dit gedicht aangeslagen toon is, hij geeft van verre niet weder den gloed van het vurige vriendschapsgevoel, dat Da Costa steeds bezielde voor dezen vriend zijner jeugd, die als Raadsheer in den Hove van Zuid-Holland, onder

[p. 452]

rouwbetooning en rouwbeklag van velen in den lande en vooral in de hoofdstad, overleed. Dirk van Hogendorp, de zoon, in het gedicht vermeld, deed aan den vaderlijken en grootvaderlijken naam grootelijks eere, en maakte zich zelfs als student aan de Leydsche Hoogeschool door het behalen van een gouden eerprijs ook naar buiten gunstig bekend. Des te droeviger was het, dat ook deze veelbelovende jonge man in den jare 1857 door eenen vroegtijdigen dood zijnen vader in het graf volgen moest. De zorg over dien jeugdigen kranke, die Da Costa, toen zelf tot aan den dood toe krank, op zijn ziekbed geen rust liet, blijft allen, die dat ziekbed naderen mogten, onvergetelijk.]

Bladz. 26.

[gedachten bij het graf van h.c. capadose. Naast het doodbed van den edelen graaf, zelf vader van een talrijk kroost, verrees treffend en aandoenlijk, ook reeds in de Zangen, het grafteeken voor den twaalfjarigen zoon van Capadose, maar die door de betooning eener vroege godsvrucht op zijn ziekbed zijnen ouderen en hunne vrienden de beste vertroosting voor zijn vroegtijdig afsterven naliet.]

Bladz. 28.

[aan mijne teder geliefde gade, enz. Dit lied werd gedicht op den dag der begrafenis van Mevr. Chevallier, de tweede echtgenoote van den schoonbroeder des Dichters.]

Bladz. 30.

[aan jonkvrouwe w.l. van loon. De hier bezongen bruid ontving dit gedichtje bij gelegenheid van haar huwelijk met Jhr. Mr. P.J. Elout van Soeterwoude, thans, even als in der tijd Graaf Dirk van Hogendorp, Raadsheer in den Hove van Zuid-Holland en tevens Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Ook hij behoorde tot den kring van innige vrienden van Da Costa, met wie deze

[p. 453]

door overeenstemming in menig opzigt, maar vooral ten opzigte van het hoogste en heiligste gevoel en overtuiging des harten, verbonden was.]

Bladz. 31.

[aan den heer h. krieger schumer. De wakkere en algemeen geachte Heel- en Vroedkundige, aan wien deze regelen zijn gewijd, mogt zich, ook op grond van eene vroegere kennismaking als tijd- en studiegenooten aan het Athenaeum, even als onderscheidene zijner kunstbroeders, in Da Costa's erkentelijke vriendschap verheugen. Aan den Da Costa anders in zijne poëzy minder eigen toon van humor, zoowel als aan de hoogst onverwachte en treffende ernstiger wending aan het slot zal het dichterlijke gevoel des lezers, ook zonder opzettelijke aanwijzing, wel weten regt te doen. -Dit gedichtje werd afgedrukt naar een handschrift niet van den Dichter zelven, maar van een ander' jeugdiger zanger, de Génestet, die als jongeling aan Da Costa's huis verkeerde en op wien de omgang met den grooten Dichter voor de ontwikkeling van zijne eigene dichtgave zeker niet onvruchtbaar zal zijn geweest. Toen de Génestet het versje van Da Costa aan Schumer gehoord had, was hij er zoo mede ingenomen, dat hij verzocht het te mogen afschrijven, waarna hij op zijn uitdrukkelijk verlangen het manuscript des Dichters in eigendom behield en zijn afschrift daarvoor in de plaats gaf. Thans -aandoenlijke herinnering! - zijn beide reeds niet meer, daar de jonger Zanger den Meester, dien hij bij alle verschil op godsdienstig en kerkelijk gebied steeds hoog vereerde, reeds in het graf gevolgd is. Tot eene proeve, hoezeer de poëzy en geheel het dichterlijke voorbeeld van Da Costa op de dichterlijke vorming ook van de Génestet van invloed is geweest, sta hier een kort uittreksel uit een verjarings-gedicht (1846) van den laatsten aan zijnen bewonderden Vriend, van wien het heet:

 
O, hoe juiche ik, dat zoo spoedig my dit feest heeft uitgenood
 
U te danken voor de schatten, die uw vriendschap my ontsloot;
 
U te danken voor de liefde, die tot my is neêrgedaald,
 
Als de zon, die hoog verheven, 't nietigst bloempje nog bestraalt;
[p. 454]
 
U te danken, u, die kennis in het jeugdig harte kweekt,
 
Of de ziel in reine geestdrift, zaalgen dichtergloed ontsteekt!

en later:

 
Streven zal ik, vurig streven, eens uw vriendschap waard te zijn,
 
En het rechte spoor te volgen, niet verblind door valschen schijn,
 
Dat ik eenmaal - kan het wezen! eenmaal, (ach! de dankbre zucht
 
Van een diepgetroffen boezem neemt misschien te stoute vlugt!
 
Zoete droomen der verbeelding, en betoovrend schoon verschiet!...)
 
Eenmaal treê de dankbre Muze tot u met een waardig lied!

Dat de namen der beide Dichters nog eens in het buitenland in een letterkundig-theologisch artikel als die van twee dichterlijke tolken van twee onderscheidene theologische rigtingen zouden worden vereenigd, gelijk dezer dagen in het geachte tijdschrift ‘Protestantische Monatsblätter für innere Zeitgeschichte, herausgegeben von Dr. Heinrich Gelzer,’ geschiedde, had de jeugdige Dichter zich toenmaals wel niet kunnen voorstellen.]

Bladz. 33.

[fragmenten uit het boek van job. Deze fragmenten zijn ontleend uit de Voorlezingen over de Waarheid en Waardij der Schriften van het Oude Testament.’ Ze zijn aldaar te vinden Deel II bl. 139 en v. Zij werden gebruikt bij de Vrijdagsche Voorlezingen van Da Costa, deels tot afwisseling met het op zich zelf reeds zoo dichterlijke proza des Sprekers, deels om te dienen, (even als de latere uittreksels uit Milton, Taaso enz.) als proeven van rijmlooze poëzy, waarvan Da Costa vooral in het laatst zijns levens (wel een weinig in strijd met Bilderdijks voorgang en voorbeeld), een groot vriend en voorstander was.]

Bladz. 50.

[hagar. Dit kleine, maar prachtige gedicht, dat, van de min schitterende figuur der Egyptische slavin van Abraham beginnende den geheelen loop der geschiedenis van het Ismaelitisch ras dichterlijk - à vol d'oiseau, ja, à vol

[p. 455]

d'aigle - doorloopt, werd vervaardigd op verzoek van den uitgever Kruseman, om opgenomen te worden in den bekenden Dichtbundel, getiteld: ‘Bijbelsche Vrouwen.’ De Hagar is het eerste gedicht, in den Kompleeten Bundel opgenomen uit de Hesperiden, welke in het licht zijn gekonomen met het motto:

 
Wer den Dichter will verstehen,
 
Muss in Dichters Lande gehen.

en het aandoenlijk bijna profetisch opschrift:

τι πρὸς ἑσπέραν ἐστίν.
Luc. 24 : 29.

En met de volgende]

Voorrede. Aan mijne vrienden.

Den titel, onder welken deze Dichtbundel tot U komt, zal wel niemand van eenige toespeling op den mythe der gouden vruchten van het Zuiden verdenken. Kon, op den blooten klank af, eene dergelijke gedachte ergens oprijzen, het talent der vervaardigers van het vignet1 zou al dadelijk, ook zonder woorden, de meening toelichten. Wat U deze bladen aanbieden, is een weinig Avondgebloemte, dat, zoo het nog eenigzins geuren mag, òf aan de onderwerpen, òf aan den grond waar het uit overgeplant werd, dat voorrecht danken zal.

Eenige bloemen alzoo uit den avond van een 'leeftijd, waarvan het veelzins sombere met des te starender en levender verlangen moest doen uitzien naar dat licht, hetwelk, reeds eenmaal uit de diepste duisternis over de aarde opgegaan, door welken nacht of middernacht het ook zijn moge, wel voorbereid maar niet vertraagd, en in geen geval verhinderd worden zal te komen.

Avondtoonen zijn voor het grootste deel de hier by een gebrachte Zangen in den tweederlei zin, medegebracht door de levensjaren des Dichters, en

[p. 456]

door de aanschouwing eener wereld, die tot de bede: Blijft met ons, want de dag is alreeds gedaald, als van zelve opwekt en dringt. Menigeen wellicht, die dergelijke beschouwing ten aanzien van wereld en menschheid voor hetgeen zy overdreven noemen houdt, is er niet ver van daan, om dat avond en nacht worden met betrekking dan toch wel tot ons verouderend Europa te erkennen. Wat ons betreft, met het woord van God voor oogen en in het hart, meenen wy dat geen zon van Californië of van Australië, tegen den avondtijd dien wy hier bedoelen, aan het overige der wereld ook buiten Europa waarborgen geeft.

Wien bied ik dan nu deze bladeren aan, - wien mag ik ze zonder zekere onbescheidenheid met de verwachting van een niet ongunstig onthaal opdragen? Wien anders dan U, mijne Vrienden, die ook, waar gy van den Dichter ter hier en daar kunt verschillen, hem voor het minst in dezen zijnen eigenen taalvorm wel zult willen gehoor verleenen, - of wien, met hem in gantsch dezelfde hoop en verwachting, als in deze verzen wederom uitgedrukt zijn, verbonden, de volhardende herhaling daarvan in allerlei vorm niet verdrietig kan zijn?

Staat in alles, wat hier gegeven is, onderwerp en strekking in het hart des Dichters op den voorgrond, - mengen zich in deze uitstortingen van gevoel en gevoelens niet slechts persoonlijke en huisselijke, maar ook voorvaderlijke herinneringen die ik noch uit mijn gemoed noch uit mijn zangtoon vermag te bannen, - ook dezen hebben by U geen onwelwillende ontfangst te duchten. Allerminst vrees ik van U een al te strenge beoordeeling of ongunstige opvatting van mijn vreemd-zijn van ouds aan dat modewoord der eeuw: de kunst om de kunst! een begrip, waarvan het zoo wel historisch als zedelijk en psychologisch onware my steeds duidelijker en ook zelfs uit het esthetisch standpunt (laat ik het mogen zeggen) een soort van ergernis werd.

Niemand meene evenwel, dat in dezen mijnen levensavond poëzy, poëzy als kunst, my onverschillig konden worden. Vorm en stof maken tot op het gebied der hoogste waarheid één geheel uit. En waarom zoude ik het ontveinzen, dat my thands misschien even zeer, als by mijne eerste bekendwording met de krachten der poëzy, praktische oefeningen en wat men studiën

[p. 457]

noemt in dat vak, altijd grootelijks aantrekken. Van dergelijke studiën, zoo niet veel meer spelingen, met de dichterlijke pen zijn enkele proeven of vruchten in dezen bundel opgenomen. Inzonderheid behoort hiertoe een handvol als op den tast gegrepen uit een ruimeren voorraad van overzettingen in onberijmde versmaat, meest by gelegenheid van Voorlezingen over oudere en nieuwere poëzy uit den vreemde, beproefd.

De uitvoerigste van dergelijke overbrengingen in rhythmisch onrijm werd onder deze proeven het Scheppingsverhaal uit Miltons Verloren paradijs (ik geloof, in het voorbygaan, dat men in den regel beter doet te zeggen: het Paradijs verloren, doch niet wanneer door den voorafgaanden tweeden naamval het artikel wegvalt, en dus vooral niet: Miltons Paradijs verloren). Van mijne kindschheid af, en sedert steeds meer en meer, trok my deze Hoofddichter, door het te gelijk antieke en toch zoo echt en oorspronkelijk tevens Engelsche van zijnen fieren stijl, boven at wat ik hier beschrijven kan, aan. Vooral is my steeds dat ongelijkbaar plechtige, en gespierde, en, mag ik het zoo uitdrukken, savante van zijne versmaat een dichterlijk genot, waaraan men zich naauwlijks verzadigen kan. By de overzetting was het my dan ook wel eens eerder of ik musiceerde, althands onder den indruk schreef der statig golvende Scheppingsmuzijk van Haydn, dan op het gebied der gesprokene woordentaal. Hoe episch grootsch en tragisch edel toch ook hier de Britsche Homerus is, hoe rijk en schilderend zijne voorstelling, hoe verheven en verheffend zijn toon, by het Scheppingsverhaal van den Bijbel verbleekt iedere poging om het in een anderen vorm weder te geven. Waarin dat gantsch eenige van het eerste Hoofddeel van Genesis bestaat, en hoe het, onafhankelijk van alle menschelijke toestemming of tegenspraak uit den tegenwoordigen stand der wetenschappen, zijnen goddelijken oorsprong alleen reeds door zijnen toon, door zijne wonderbare ineensmelting van poëzy en historisch getuigenis handhaaft, 'laat zich in eenige weinige regelen niet aanwijzen. Het doet by elke overlezing en by elke vergelijking met de bearbeiding van het onderwerp ook door de verhevenste (bloot) menschelijke pen zich zooveel te sterker gevoelen.

Doch eenmaal op het terrein van bespiegelingen over waarheid en poëzy, over poëzy en hare muzijk, het rhythme, gekomen, waar zal men eindigen

[p. 458]

indien men de pen haren vrijen loop vergunt? Liever breken wy af met een welmeenend heil! en met den wensch, dat onder het nederig gebloemte in dezen Bundel de gedachte, die er geur en leven aan geven moet, haren weg tot het hart vinden moog.

Amsterdam,

25 October 1855.

Aanteekeningen op ‘Hagar.’
Bladz. 50, v. 11.
By 't loeien van den reus,

De woestijnwind of Sammum.

Bladz. 54, v. 10.
Ter eer zijns Gods van zong:

Job XXXIX : 22-28.

Bladz. 56, v. 7.
U weêr in dezen tijd van den Nomaad gezet!

De Hyksos, die omstreeks 1800 jaren vóór de Christelijke tijdrekening Egypte vermeesterd hadden, waren insgelijks Nomaden of Herdersvolken.

Bladz. 56, v. 14.
Zie! Calpes rotsen zijn beklommen,

Gibraltar.

Bladz. 56, v. 21.
Te rug! rijs, Karel!

Karel bijgenaamd Martel (d.i. Hamer), die Ao. 732 de Saracenen tusschen Tours en Poitiers versloeg.

[p. 459]

Bladz. 57, v. 15.
Voor Issa

De naam van Jesus in den Koran.

Bladz. 57, v. 21.
En lasterlijk in 't eind begroet als Paracleet.

Hy liet het zich gaarne beduiden dat de Evangeliebelofte van den Paracleet of Trooster (Joh. XIV : 16) van hem te verstaan was.

Bladz. 58, v. 8.
Maar uwe, o Koreischiet!

Mohammed behoorde tot den stam van Koreisch te Mekka.

Bladz. 59, v. 23.
Alraschid, gy hier 't eerst, gy Bagdads Charlemagne!

Harun al Raschid, vijfde Kalif uit het huis der Abassiden (Ao. 786-809.)

Bladz. 60, v. 1.
Of Abderahman,

Van het uit het Oosten verdreven maar in het Westen gehuldigd stamhuis der Omijaden Ao. 756.

Bladz. 60, v. 22.
Die in haar ouderdom den Vreugdverwekker baarde

1 Mos. XXI : 1-7.

Bladz. 61, v. 11.
(Voor wie de Bondgenoot het eerst moest leeren sidderen!)

Alexius Comnenus, Grieksch Keizer, Ao. 1081-1118.

[p. 460]

Bladz. 62, v. 13.
Viel in den Bosporus.

Een voorval, onder de regeering des vaders van den tegenwoordigen Sultan by de Turken voor een zeer treurig voorteeken gehounden.

Bladz. 62, vs. 19.
Aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder!

Reminescentiën uit W. de Clercqs treffend overzicht: het Oosten in de Nederl. Stemmen, III. 118-120.

Bladz. 63, v. 14.
Nebájoth, Midian, en Hefa!

Jesaia LX: 6, 7.

Bladz. 68.

[aan vrouwe aleida beets. De teedergevoelige Dichter bragt aan den Heemsteêschen leeraar, zijnen kunst- en hartsvriend Beets, aan wien ook de regelen op bladz. 65 gewijd zijn, na zijn onvergetelijk verblijf in die streken, voor menig blijk van gastvrijheid en genegeheid zijne dankerkentenis in de Opdragt van Lijden en Heerlijkheid: maar ook aan de gade des Dichters drong hem hart eene hulde te brengen in het dichtgebloemte, dat sedert als eene affodille - om met Bilderdijk te spreken - op het graf der jong ontslapene, onvergetelijke gade en moeder werd.]

Bladz. 70.

[aan den heer en mevrouw de marez oyens-waller. In deze regelem bezong de Ditcher het koperen feest van eenen teeder beminden vriend, aan wien hij ook als zoon van den Heer Hendrik Oyens verbonden was,

[p. 461]

welke laatste met Bilderdijk door trouwe vriendschap vereenigd, dezen vooral in zijne geldelijke aangelegenheden, hulpvaardig ter zijne stond. Ook de zoon, in dit opzigt de voetstappen des vaders drukkende, verpligtte Da Costa door menig dienstbetoon, met name bij het houden zijner Vrijdagsche Voorlezingen, daar den Dichter voor zulk soort van zorgen ten eenemale alle geschiktheid zoowel als alle lust ontbrak. Het koperen-bruiloftsversje is lief, maar haalt overigens in belangrijkheid voor de kennis van Da Costa's geest en karakter niet bij het aandoenlijk blijk van deelneming, waarmede de Dichter in een schoon geschreven brief, als van zijn stervensleger aan het jubelend paar gerigt, in de jongste dagen zijns levens, hun zilveren huwelijksfeest verheerlijkte.]

Bladz. 71 en 72.

[aan mevrouw de douairière van weede van dijkveld. - aan mevrouw de douairière calkoen. Onder de aanzienlijkste familiën, die het zich eene eere achtten den Dichter bij zijn verblijf op Ruimzicht te Heemste de te begroeten en te onthalen, behooren ook de leden van den huize Van Weede en Calkoen. Reeds uit hoofde van de vermaagschapping van beide met de familie van Lennep, gevoelde Da Costa op hen betrekking: nog inniger echter was de band, die hem op grond van gemeenschappelijke godsdienstige overtuiging met de bewoonsters van de landhoeven Meerenbosch en Ipenrode verbond. Ook voor haar bleef dus het aangeboden blijk van aandenken in vergankelijke bloemen en vruchten niet zonder duurzamer dichterlijk tegengeschenk.]

Bladz. 73.

[aan een kunstenaar. Waar de uitheemsche kunstenaar, toenmaals in Nederland toevende, zijn potlood ter hand om nevens vele andere ook de trekken van Da Costa weder te geven, erkende de Dichter het werk van den teekenaar met de schenking van een zijner dichtwerken, begeleid door een Neêrduitsch vers, maar dat hij zelf met eene overbrenging in 't Fransch den vreemdeling aldus vertolkte:]

[p. 462]
 
Sur les traits d'un visage évoquer toute une âme,
 
Artiste! c'est ton droit, ton talent souverain.
 
Mais où le coeur connaît l'art des vers et sa flamme,
 
Le poète lui-même, en l'exerçant, se peint.
 
De mon âme en ces vers reçois la ressemblance!
 
J'y déposai du moins sa plus sêre espérance.
 
Artiste! croyons-le! la gloire est vanité.
 
Le bonheur n'est réel qu'en un Dieu révélé.

Bladz. 74.

[wachter! wat is er van den nacht? Dit overschoone gedicht, dat de reeks der politieke gedichten met de Vijf en twintig jaren begonnen, gelukkig voortzette, werd voorgedragen in de Hollandsche Maatschappij van fraaije Kunsten en Wetenschappen op 13 December 1847, met de volgende:]

Voorafspraak.

Ik zie my op dit oogenblik eenigermate als kennis makende met een my nieuwen leeftijd, een tweede, wellicht derde geslacht van Leden en Toehoorders in deze Maatschappy. Sints ik het laatst by deze Inrichting het woord voerde, zijn ongeveer zes en twintig jaren over de hoofden mijner tijdgenooten gegaan. Veel is er sedert om ons heen, - by menigeen onzer hoogst waarschijnlijk veel niet alleen om hem, maar ook in hem geschied.

De gebeurtenissen van deze naar haren afloop spoedende eeuwhelft waren talrijk en beduidend. De aanleiding tot denken, spreken, en wat dieper en hooger gaat dan dit, heeft, zoo immer, in dat tijdvak niet ontbroken.

Kort na mijne optreding als jeugdig dichter ontstond in ons Vaderland een groot geschil over de strekking van hetgeen men, met meer of minder bestemdheid van denkkeeld, den Geest der eeuw pleegt te noemen. Men kwam van wederzijde minder in de gelegenheid elkander door het voertuig der levendige stem, dan door de tusschenkomst der drukpers te hooren. Men bleef op afstand. Het jaar 1830 bracht wijziging te weeg in de stelling der strigders. De gebeurtenissen zoo al niet van July, althans van Augustus en

[p. 463]

September van dat jaar, brachten velen op het vermoeden, of er toch wel niet eenige waarheid kon zijn in het woord, dat by de meesten zeven jaren vroeger met zoo hevige gemoedsbeweging tegen den gang en het byzonder karakter dezes tijds vernomen was. En had de vraag niet dieper gelegen dan Politiek of Esthetiek, men was elkander, op dat oogenblik althands, misschien nader gekomen. Doch juist dat dieper liggende der eigenlijke vraag, juist hare betrekking tot de groote belangen van Godsdienst, Christenheid, ja waarheid en leven voor en uit God, werd meer en meer het punt, waarop de belangstelling van veler gemoed en verstand zich te zamen trok.

Intusschen waren van wederzijde de strijders in jaren en ondervindingen teogenomen. Men erkende openbaar of stilzwijgend, dat er in het vuur van den kamp menig woord gezegd, menig denkbeeld gewaagd was geworden, dat zonder oneer of verkorting van het der waarheid kon worden te rug genomen. Men was het, by den rusteloozen voortgang van alle dingen in allerlei richting, als van zelve eens geworden dat onze eeuw (de vraag of zy eene goede, of zy eene groote genaamd mag worden, geheel daar gelaten,) in elk geval eene zeer merkwaardige was, zwanger (naar schier aller gevoelen) van een nog merkwaardiger toekomst.

Waartoe deze herinneringen? vraagt wellicht een gedeelte van mijn tegenwoordig hoogst welwillend gehoor. De lezing van dezen avond zal toch wel geen nieuw débat zijn over het aangevoerde onderwerp. - Geheel niet, of liever, niet geheel!

Hetgeen ik op de vereerende noodiging van het Bestuur dezer Maatschappy my gereed maak U voor te dragen, is een Lied, geen Betoog, allerminst een Pleitrede. Toch kan het in eenen tijd, waarin eigenlijk alleen en wezenlijk dat tot hart en verstand spreekt, wat in het praktisch leven onzer eigene dagen grijpt, - toch kan het in zulk een veelzins geschudden en geschokten tijd byna niet anders, of ook dat Lied, even als vroeger de Vijf en twintig jaren, moest betrekking hebben tot de belangrijke wereldbewegingen, welke wy voor onze oogen zien plaats hebben of zich voorbereiden, en in welke een iegelijk onzer in zijne mate en op zijne plaats betrokken is.

Ik wilde u op dezen avond eenige toestanden voorstellen uit den tijd, in

[p. 464]

verband met hooge belangen voor de toekomst, in verband met de hoogste belangen voor alle tijden, voor alle eeuwen.

Ik wenschte u die toestanden, gelijk reeds te kennen werd gegeven, in de taal der poëzy voor oogen te stellen.

Behoef ik my door een uitdrukkelijke verklaring te vrijwaren tegen eene zoodanige opvatting van het woord, als die het denkbeeld van geditch met dat van dichting zoude verwarren?

Mijne opvatting - of laat ik liever zeggen, uit naam van al wat zich, op welken trap dan ook van gaaf of ontwikkeling ooit waarlijk dichter gevoelde, - onze opvatting van het denkbeeld, de roeping, van poëzy is ongetwijfeld eene gantsch andere.

Voor ons is de verantwoordelijkheid van hetgeen in den vorm van maatzang en taalmuziek gezegd of beleden wordt, althands geene mindere dan wat in hare zusterspraak prosa tot hart en verstand wordt gebracht.

Voor ons heeft die poëzy nog eene andere roeping, dan dat bloote vermaken (delectare), waaraan de Latijnsche Dichter, by zijne op dat oogenblik niet zeer verheven opvatting der zaak, toch nog voor het minst een nuttig zijn (prodesse) verbond.

Ja, de poëzy had, als zoodanig, van ouds eene byzondere plaats en plicht in de wereld der woordvoering. Hare gave was tevens eene last tot mededeeling van overtuigingen en waarheden aan menschen en volken.

Zelfs de ongewijde Oudheid getuigt het. Ook hare oudste Wetgevers en Volksvormers waren Dichters. De wijsgeeren hebben later veel geredeneerd over den besten Staatsvorm. Maar, voor zoo ver er onder de Wetgevers b. v. van oud-Griekenland wijsgeeren zijn geweest, zoo waren die wijsgeeren ook in eene eerste plaats Dichters. Plato zelf, die over de beste inrichting van maatschappy en Staat zoo veel treffends gedacht en geschreven heeft, (schoon hy noch de zijnen immer Staten op dien grond gesticht hebben, of ondernamen te stichten,) Plato zelf schreef, het is zoo, prosa, maar een prosa dat, hoe hy zelf zich wel eens ingenomen toonde tegen dichters, toch inderdaad poëzy is, voor het minst de ziel eens dichters verraadt.

Doch wat vertoeven wy op dat ongewijd, op dat aan velen vreemd en oud geworden grondgebied? Het gewijde, het aan geen Christelijke natie vreemde,

[p. 465]

voor geenerlei tijd verouderde grondgebied der Schrift leert ons niets anders. Moses gaf aan Israël de Wet, hy was in Israël Richter en Overheid; en wie was immer Dichter meer dan Moses? Ook David! zijne Staatsconstitutie (den honderd eersten Psalm) geeft hy in poëzy van den meest praktischen aart. Ja tot in de taal, die de eenige en eeuwige Wetgever in zijne Bergrede bezigde, is in onze dagen de toon en gang eener Oostersch dichterlijke taal erkend en aangewezen geworden.

Is poëzy verdichting? Het zij verre! Wie van u zal, ook onafhankelijk van het reeds aangemerkte, in onzen tijd vooral, de onderscheiding beamen: het prosa geeft waarheid, de poëzy slechts verdichting, verbeelding?

Daar is voor alles in de ordening der dingen, in de verdeeling dar gaven, eene byzondere plaats, een onderscheiden bestemming; - voor alle de vermogens van den mensch eene roeping naar haren eigenen aart! Aan de rede de nasporing van hetgeen uit een reeds gegeven feit, uit een reeds geconstateerde ondervinding, eene reeds erkende of onwederspreekbare waarheid, noodwendig voortvloeit. Aan de poëzy de als ware het instinctive blik in de combinatiën en harmonyen, waarvan de wezenlijkheid vast staat, eer wijbegeerte of natuurlijk verstand er nog reden van mag geven. Zoo zag Goethe, als jeugdig Dichter, de wereld in zijnen Götz van Berlichingen vroeger en (naar zijn eigene bekentenis) beter, dan toen hy ze by eigen ondervinding en studie als man van de wereld, als Staatsman, als wijsgeer, leerde kennen. Waardeeren wy elk element des geheels naar zijne eigene inrichting en bestemming! Gunnen wy aan een iegelijk der menschelijke vermogens zijne vrije werking en beweging naar zijnen aart! Anders werkt op het vorstelijk schaakveld Koningin en Toren, Raadsheer en Ridder. Maar om dat de wet op dit gebied aan den loop van het Kasteel de rechte, aan dien van den Raadsheer de schuinsche richting voorschrijft, is daarom die der Koningin onwettig, die zich in beide, of die van het Paard, dat zich in geen van beide beweegt?

Zoo heeft dan Rede en Wijsbegeerte, zoo hebben wiskundig betoog en gezag van geloofwardig getuigenis, zoo hebben intuitie en navorsching, zoo insgelijks poëzy en prosa haar eigene roeping, hare eigene wegen, haar eigen grondgebied.

[p. 466]

Wy mogen, ook wat dit laatste betreft, ons hier hooger wenden. Zaagt gy wel eens, mijne Hoorders! hoe in het Boek der boeken de grond verdeeld is tusschen prosa en poëzy? Voor het verhaal van gebeurde zaken en gewisselde redenen, voor de wet, voor de spreuk, voor het praktische leven, voor het dogme, - prosa: het prosa van Moses, van Salomo, van Lucas, van Paulus! Voor den lof van God, voor de uitboezeming des harten, voor den blik in de toekomst, voor het vergezicht der eeuwen, - de taal en vorm der poëzy, de taal van David, van Jesaïa, en wederom van Moses (den Propheet zoo wel als Historieschrijver en Wetgever!). Wie zal zeggen dat hier tegenstelling is, als van waarheid en dichting?

Ik stel er prijs op, M.H.! dat het hier door my op den voorgrond gestelde door u in gedachten gehouden worde, en hoe zeer welwillend, toch onbewimpeld toegepast. By het gebruiken van den dichterlijken vorm ben ik er zeer verre van daan, eene verantwoordelijkheid, die anders het prosa meer schijnt op te leggen, te willen vermijden. Ik onderneme dezen avond u eenige toestanden te schetsen van de eeuw, waarin wy leven, in welker beweging wy allen eenigermate deelen, wy allen een hooger dan tijdelijk en maatschappelijk belang hebben. Wanneer ik dit dan ten uitvoer bracht met die vrijmoedige bestemdheid van kleur en uitdrukking, die de aart der zaak my schijnt te vorderen, zoo wensch ik niet dat men in den vorm dien ik daartoe koos eene soort van bewimpeling of verschooning of verzachting zoeke voor hetgeen my hier, evenzeer als in het meest dagelijksche prosa, ernst is voor hart en verstand, geloof en leven. Ik brenge u deze uitboezemingen niet als spelingen van dichterlijk vernuft, maar als overtuigingen op Christelijk geloofsgebeid, als uitkomsten van Christelijk onderzoek. Van dat onderzoek ook in de taal van redebetoog en discussie, d. i. in het prosa der wetenschap, verantwoording en verdediging te leveren, heb ik met de hulpe Gods tot op dezen dag by monde en by schrifte nimmer nagelaten of geschuwd. Ik legge die overtuigingen voor een aanmerklijk gedeelte dezen avond in den poëtischen vorm voor u neder, maar ik moet het met bescheiden ernst herhalen, niet voor de rechtbank blootelijk van den dichterlijken smaak, maar voor die van het Christelijk geweten. Laat ik, het standpunt alzoo bepaald hebbende, thands uw welwillend gehoor mogen vragen

[p. 467]

voor het vers zelve, waarvan de gekozene spreuk uit de Schrift als opschrift moge gelden:

WACHTER! WAT IS ER VAN DEN NACHT?

[Na het gedicht volgden de onderstaande]

Aanteekeningen.
Bladz. 76, v. 12.
Van 't golvend luchtpaard door de wolk.

De uitvinding van Montgolfier.

Bladz. 77, v. 19.
aan 't argot

Eene byzondere liefhebberij van Fransche en andere Schrijvers van naam was in de dagen, waarin het vers geschreven werd, de aanwending der eigenaartigheden van de dieventaal of argot.

Bladz. 78, v. 1.
‘Praslin!’

Men herinnert zich de ontzettende moordgeschiedenis der Hertogin de Choiseul Praslin Sebastiani, weinigen tijd voor het uitbreken der Februarij-omwenteling.

Bladz. 79, v. 10.
de Alpen spogen vuur!

De binnenlandsche Zwitsersche strijd werd bedoeld, die, destijds nog versch in het geheugen, eerlang voor de geruchten van Revolutie en Oorlog op grooter schaal in Europa plaats maakte.

[p. 468]

Bladz. 80, 8.
Hervormings Eerstgeboren!

In zoo ver de Nederlandsche Republiek, als nieuwe onafhankelijke Staat onder de bescherming van het Huis van Oranje, inderdaad een gewrocht der Kerkhervorming is geweest.

Bladz. 84, v. 3.
Zat dáár, een nieuwen tijd ten teeken, de Regent.

Lodewijk de Veertiende zag kort voor zijnen dood alle zijne vermoedelijke opvolgers tot in het vierde geslacht voor hem uitsterven, met uitzondering alleen van het vijfjarige kind, dat straks Koning Lodewijk de Vijftiende werd. Des Konings Neef, Philips van Orléans, stond onder heftige, schoon naar geloofwaardige getuigenissen ongegronde vermoedens van vergiftiging. Met den dood des Konings (ao. 1715) was hy Regent van Frankrijk. Een der eerste daden van dat Regentschap was de vernietiging, by Parlementsacte, van Lodewijks beschikkingen, waarby zijne onwettige nakomelingen, met betrekking zoo tot de regeering gedurende de minderjarigheid, als tot eene eventueele troonsopvolging, bevoorrecht waren.

Bladz. 93, v. 9.
Regeert in 't Vatikaan een nieuwe Julius?

Julius de Tweede, Paus v. 1503-1513, bekend door zijne krijgs- en staatszucht.

Bladz. 93, v. 20.
als van kasteelbestorming!

Toespeling, by de tegenstelling, op de inneming der Bastille by den aanvang der Fransche Revolutie.

[p. 469]

Bladz. 94, v. 18.
Het zaad van Japhet nam de tenten in van Sem....

Toespeling op den zegenspreuk van den Aartsvader (I Mos. IX. 27), doch naar eene opvatting, die telkens minder de mijne werd. Niet, gelijk de meest algemeene uitlegging dier woorden aanneemt, van Japhet, maar van God zelven schijnt ook my verstaan te moeten worden de hier gepropheteerde woning in de tenten van Sem. De inwoning van God in het midden des nageslachts van Sem, van Abraham, van Israël, van Juda, en door dien weg in het midden eener verloste menschheid, is eene Godsgedachte, wier steeds voortgaande voorbereiding en eindelijke vervulling van Genesis tot Openbaring geheel het woord van God doorloopt.

Bladz. 98.

[de stem des heeren. Dit gedicht werd het eerst geplaatst in het Tijdschrift De Tijd, uitgegeven door Boudewijn, in 1848. Later werd het opgenomen in de Politieke Poëzij.]

Bladz. 105.

[1648 en 1848. Weder een lied des tijds, door de tweehonderdste verjaring van het Munstersche Vredejaar ingegeven, en het eerst in het Instituut voorgelezen. Bij dit Lied waren de volgende:]

Aanteekeningen.
Bladz. 107, v. 20.
Den moord van Maagdenburg!

Alle deze herinneringen behooren tot het tweede of dus gezegd Zweedsche tijdvak van den dertigjarigen oorlog (1630-1635).

Het voorbeeldeloos bloedbad door den Graaf de Tilly, den Alva van Duitschland, aangericht in het met storm vermeesterde Maagdenburg (ao. 1631), werd nog dat zelfde jaar gevolgd door den slag by Leipzig, op de Keizer-

[p. 470]

lijken gewonnen door Koning Gustaaf Adolf van Zweden aan het hoofd der Protestantsche Unie. De slag van Nordlingen in Beijeren (ao. 1635) deed, na langdurigen voorspoed der Protestantsche wapenen, de kansen des oorlogs een oogenblik overhellen ten gunste des Keizers (Ferdinand II).

De gruwel van Maagdenburg is treffend beschreven door Schiller, in zijne Geschiedenis van den dertigjarigen oorlog. ‘Der Kaiserliche General (dus besluit hy het verhaal van den ramp met een enkelen alles uitdrukkenden trek) durchritt die Strassen, um als Augenzeuge seinem Herrn berichten zu können dass seit Troja's und Jerusalems Zerstörung kein solcher Sieg gesehen worden sey. Und in diesem Vorgeben war nichts Uebertriebenes, wenn man die Grösse, den Wohlstand und die Wichtigkeit der Stadt, welche unterging, mit der Wuth ihrer Zerstörer zusammendenkt.’

Bladz. 107, v. 22.
Den slag
Dien, Maurits! Nieuwpoorts zon

Aartshertog Albert van Oostenrijk, in den slag by Nieuwpoort, poogde door eene wel beraamde maar mislukte beweging, de belemmering weg te nemen, voor zijne soldaten daarin gelegen, dat by hunne eerste stelling de zon hun lijnrecht in de oogen scheen, en de wind hun het fijne duinzand in de oogen woei. Bosscha, Neêrlands heldendaden te land, 1, 351.

Bladz. 108, v. 2 en 3.
Tilly
En Weimar, enz.

Gustaaf Adolf kwam om in den slag by Lützen, waarby de overwinning aan zijne Zweden bleef (ao. 1632). Zijn kweekeling Hertog Bernhard van Saksen Weimar volgde hem op in het opperbevel, maar overleefde hem niet lang. Wallenstein intusschen werd (ao. 1634), op vermoeden van verstandhouding met den vijand en verraad tegen den Keizer, te Eger in Bohemen heimelijk omgebracht. Onlangs ontdekte en uitgegevene oirkonden hebben de waarschijnlijkheid van het gevoelen bevestigd, dat er by den merkwaardigen man geen plan van verraad ooit bestaan heeft, maar dat het hooghartige van

[p. 471]

zijn karakter, gepaard met het raadselachtige dikwerf van zijne woorden en daden, zijnen persoonlijken vijanden recht te stade gekomen is, om zijne, zeker bevreemdende, werkeloosheid in Bohemen tegenover de Zweden aan misdadige verstandhoudingen te doen toeschrijven.

Bladz. 108, v. 8.
Het Graaflijk twintigtal, enz.

Engelbrecht, Graaf van Nassau-Dillenburg, Baron van Breda (overleden ao. 1504), is geweest een der voornaamste Nederlandsche Krijgshoofden en Staatslieden onder de regeeringen van Philips den Goede, Karel den Stoute, en Keizer Maximiliaan. Tot ridder van het Gulden Vlies geslagen, nam hy by die gelegenheid tot devies den uitroep: ‘Ce sera moi, Nassau!’ Men vergelijke een kort opstel daarover in de Nederlandsche Stemmen, I. Nr. 8.

Van Graaf Johan, Engelbrechts broeder, stammen al de Nassaus van de Nederlandsche of Ottosche linie af. De poëzij blijft hier eerder beneden het cijfer der geschiedenis, wanneer zy hier slechts een twintigtal Nassausche Graven vertoont, die in den tachtigjarigen krijg bloed en goed deels waagden, deels lieten, voor de zaak van Godsdient en vrijheid in Nederland. Men denke, nevens Prins Willem den Eerste, aan zijne vier broeders: de Graven Johan, Lodewijk, Adolf en Hendrik, allen behalve den eerstgenoemde op het slagveld gebleven, mitsgaders aan de zonen en kleinzonen zoo van dezen Graaf Johan (den Voorvader, in rechte mannelijke linie, van onzen regeerenden Koning) als van zijnen broeder, den grooten Zwijger: en vergelijke voorts de Bijschriften in mijne Zangen uit verscheidenen leeftijd (1847).

Bladz. 108, v. 15.
Beleid- en krachtvol Krijger

Aan de groote verdiensten van Willem den Eerste, ook als Krijgshoofd, is op meer dan ééne wijze hulde gedaan door mijnen edelen vriend Mr. G. Groen

[p. 472]

van Prinsterer, zoo in zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, als in zijne onschatbare Archives, en, by wijze van zamentrekking, in de Redevoering over Willem I, uitgesproken by de Openbare Vergadering der Tweede Klasse van het Instituut, ao. 1842. Men zie voorts Bosscha t.a.p. Afd. Willem I en zijne broeders. Als toelichting van den naam van ‘zielvol Spreker,’ in het Dichtstuk aan den Prins gegeven, moge onder anderen eene belangrijke bijzonderheid dienen in de evengemelde Redevoering van Groen (bl. 7 en 8) aangehaald, ten bewijze hoe de Prins met de kunst van zwijgen niet slechts de kunst van spreken vereenigde, maar ook in het bijzonder de militaire welsprekendheid in hooge mate verstond.

Bladz. 110, v. 7.
om Filips zijn Portugeeschen roof

Men herinnert zich den opmerkelijken zamenloop van omstandigheden, waardoor de Nederlanders in het bezit gekomen zijn van die Oost-Indische vaart en handel, welke oorspronklijk in de handen der Portugezen waren geraakt. Ten jare 1580 was Philips de kroon van Portugal machtig geworden; ten jare 1594 sloot hy voor den Nederlandschen handel de havens zijner koninkrijken. De ondernemingsreizen, allereerst door het Noorden, naar Oost-Indië volgden.

Bladz. 111, v. 3.
Van Keulens Zangzwaan enz.

Ik heb elders met een woord opmerkzaam gemaakt op het schilderselement in Vondels dichtgenie, in verband met zijne Antwerpsche afkomst (Inleiding op Bilderdijks Epos, bl. 35, 36). Een dergelijke verwantschap tusschen dicht- en schilderkunst deed Alexander von Humboldt uitkomen in eenige belangrijke bladzijden van zijnen Kosmos (II, 58-61) over Camoëns itnemendheid als dichter-zeeschilder.

[p. 473]

Bladz. 111, v. 8.
Een trits van Scholen, enz.

De Hoogeschool to Leyden door Prins Willem den Eerste in 1575, die te Groningen door Graaf Willem Lodewijk in 1614, die te Utrecht door de Regeering der stad in 1636 gesticht.

Bladz. 112, v. 18.
Geen zee meer wezen zal, enz.

Toespeling op Openb. XXI. 1.

Bladz. 116, v. 19 en volg.
Hy zingt: de donderkracht der stem van Mirabeau,

Ik had hier bijzonder, schoon niet uitsluitend, voor den geest die laatste bladzijden der Girondins, waarin de dichterlijke Schrijver op eene eerlang zoo beteekenend gewordene wijze zijne uitkomsten openlegt, zoo met betrekking tot de mannen als tot de beginselen der eerste Fransche Revolutie. In den zin vooral van Lamartine verstaan, vatte men die woorden: ‘de deugd van Robespierre’ niet al te zeer ironisch op. Maar ook van op een geheel ander standpunt beoordeeld, zijn de gruwelijkste revolutionairen in Frankrijk niet altijd juist de ondeugdzaamste en zeker de consequentste geweest. In dat opzicht blijft ook heden ten dage de triumf der Jacobijnen over de Gironde een veelbeduidende les in de geschiedenis - Van die Gironde, voorts, is naar Lamartines opvatting Vergniaud een der aandoenlijkste hoofdpersonen geweest.

Bladz. 116, v. 24 en volg.
‘De Omwentling!-min het bloed, dat de aarde heeft doorweekt!

‘La démocratie (het zijn de eigene woorden van den Heer de Lamartine op het banket van Julij 1843 te Macon) a été terrible, deébordée, anarchique,

[p. 474]

coupable après 89. Mais ce n'était son laborieux enfantement.’

Bladz. 117, v. 11 en volg.
Beklagenswaardige veel meer nog, enz.

De treurige ontwikkelingsgang van Lamartines pantheïstisch (hy noemde het in zijn gesprek met Lady Stanhope zijn christelijk) rationalisme werd voor eenige jaren in de Nederlandsche Stemmen nagegaan in eene Beschouwing van onzen onvergetelijken W. de Clereq over den Franschen Dichter in het Oosten (Deel III. 104-107), en van my over zijne Chûte d'un Ange (VI. 257-262).

Bladz. 119, v. 1.
Een Mensch der zonde enz.

Men zie 2 Thess. II. en de Apocalypse van Johannes, in verband met Dan. II. en VII.

Bladz. 120, v. 23 en volg.
Dat Woord - enz.

Het beginsel, dat de Machten uit God zijn, is wel niet by eenerlei regeeringsvorm, of wijziging van dien, beperkt. Het is even wezenlijk by eene republiek als by eene monarchie, by constitutioneele regeeringsvormen als by de onmiddelijke Theocratie van Oud-Israël denkbaar, - die Theocratie, vaak zoo weinig gekend, zoo dwaas miskend, en zoo essentiëel en praktisch verschillend van hetgeen men Oostersch Despotisme heet. Zie haar, tot een voorbeeld, op het stuk van volkskeuze! God zelf roept en zalft zijnen knecht David; maar het orgaan dier keuze is straks ook de keuze door de Oudsten, door het volk. Hetzelfde laat zich op Christelijk-kerkelijk terrein waarnemen in de oorspronkelijke inrichting der Gemeenten. De Gemeenten zelve kiezen hare Ouderlingen en Diakenen! zal daarom ampt, gezag, en roeping,

[p. 475]

niet meer zijn van God? Ik doe het met een woord opmerken, op dat blijke, hoe de vragen van den dag over Grondwet en regeeringsvorm voor de Christenen in geheel iets anders liggen, dan de vrees voor rechtstreeksche verkiezingen, of wat des meer zij!

Bladz. 123, vs. 16.
Van de Oranje-Halcyon

Het ijsvogeltje met de zinspreuk: Saevis tranquillus in undis.

Bladz. 123, v. 24.
Zinkend, - maar van overvloed!

Vergelijk Luc. V. 7b.

Bladz. 124, v. 15.
‘Als de God der eere dondert

Weêrklank van het lied: de Stem des Heeren (blz. 100 boven).

Bladz. 125.

[aan royer. Bekend is de naam van dezen Beeldhouwer, als aan wiens kunstrijke beitel ons Vaderland de standbeelden van Rembrandt, de Ruyter, Laurens Coster, Willem II en anderen verschuldigd is. Royer gaf een nieuw blijk van waardering van Da Costa in het borstbeeld, dat hij van hem zelven na zijn overlijden vervaardigde.]

Bladz. 126.

[aan mijn zoon abraham. Niet oneigenaardig schreef Da Costa dit gelegenheidsgedicht bij de opneming van zijnen zoon als lidmaat in de Waalsche

[p. 476]

Gemeente te Amsterdam oorspronkelijk in het fransch, waarvan de mededeeling hier volgt:]

 
Du Gardien de Jacob précieux héritage,
 
Réel plus que l'argent, durable plus que l'or,
 
Qu'il te soit avenir, jouissance, trésor,
 
Ce Livre, d'un Sauveur éternel témoignage.
 
 
 
Lis, relis-le sans cesse et médite son sens
 
D'un esprit humble et simple et d'un coeur en prières.
 
Retrouves-y ton Dieu dans le Dieu de tes pères,
 
Dont la fidélité visita tes parens.
 
 
 
Ah! si de ces parens l'impuissante tendresse
 
Ne te lègue ici bas rien qu'un siècle ébranlé,
 
S'ils te laissent Jésus, dans ton âme accepté,
 
Ce Livre, o notre fils! te dira ta richesse.

Bladz. 127.

[de leeuw uit juda. Dit gedicht werd eerst in het Tijdschrift ‘De Vereeniging, Christelijke Stemmen,’ geplaatst. Daarna werd het opgenomen in den Bundel Christelijke Gezangen der Hersteld-Evangelisch-Luthersche Gemeenten in Nederland.]

Bladz. 131.

[zit aan mijne rechterhand. Dit lied werd, gelijk vroeger reeds herinnerd werd, door den Dichter voornamentlijk vervaardigd om als aanvulling van zijn God met ons te dienen, en kwam met dien zang onder den titel van Lijden en Heerlijkheid met een opdragt aan Beets in 't licht. Zie Deel II, bladz. 463.]

[p. 477]

Bladz. 151.

[uit palestina. Dit gedicht werd voorafgegaan door de volgende

Opheldering.]

Juda ben Samuël Hallevi (d.i. de Leviet), geboren in Castilië in 1105, bekleedt een der aanzienlijkste plaatsen in die merkwaardige opvolging van Spaansch-Hebreeuwsche Dichters, die van de tiende tot de vijftiende eeuw in het Schiereiland bloeiden. Hy is, behalve door zijne talrijke Gedichten ook nog in het bijzonder beroemd door zijn Khusari, een wijsgeerig-Godgeleerden arbeid, dien hy oorspronkelijk in het Arabisch schreef. Het verhaal, in de volgende bladzijden berijmd, is eene Spaansch-Joodsche Legende, waarvan het onhistorische in de laatste tijden overvloedig aangewezen werd. Historisch intusschen, en eigenlijk ruim zoo dichterlijk als de Legende, blijft in elk geval de ondernomen bedevaart van den Dichter naar het land zijner vaderen, onder hoogst belangwekkende ondervindingen en wederwaardigheden, schoon het hem niet te beurt viel Palaestina zelf te bereiken. Zie van hem mijn Israël en de Volken, bladz. 278-281.

 

[En besloten door de volgende]

Aanteekeningen.
Bladz. 151, v. 4.
Met Englands leeuwen

Drie leeuwen of luipaarden (lions passants of léopardés) maken nog heden een der quartieren van Engelands wapen uit, thands eigenlijk een combinatie van de twee leeuwen van Normandije met dien van Guienne, na dat laatstgemeld Hertogdom door een tweede huwelijk van Eleonora, gescheidene Gemalin van Lodewijk VII van Frankrijk, gekomen was aan Hendrik Graaf van Anjou, Koning van Engeland, den vader van Richard Leeuwenhart.

[p. 478]

Bladz. 152, v. 8.
De toon van Clermont was gedaald.

De drift, waarmede op de groote Europeesche vergadering te Clermont ten jare 1095 de kruistocht juichend ondernomen werd (Dieu le veut! Dieu le veut!) was reeds binnen de eerste halve eeuw vrij wat verflaauwd.

Bladz. 152, v. 11.
Naar leenrecht uit het West!

Na de verovering van het H. Graf door Godfried van Bouillon, werden de dus genaamde Assises de Jerusalem door de Vorstelijke kruisvaarders zaamgesteld, eene wetgeving geheel op het toenmaals in Europa heerschend leenrecht gegrond. De Koning van Jerusalem (een titel, dien Godfried weigerde te dragen ter plaatse waar de Heiland eenmaal de doornenkroon had gedragen, doch dien Godfrieds minder kiesche broeder en verdere opvolgers geene zwarigheid maakten aan te nemen) was de Opperleenheer der nieuwe Oostersche verovering, - Edessa, Tripolis, Antiochië vormden leenroerige Graafschappen en Vorstendommen. De beide eerste Vorsten van Jerusalem noemden zich zelve Leenmannen van het H. Graf.

Bladz. 152, v. 13.
Het zwaard op zij' verplegende haar kranken.

Zoowel de orde der Tempelieren, als die der Ridders van St. Jan van Jerusalem (later van Malta), verzorgden oorspronklijk hospitalen, waarin voornamelijk kranke bedevaartgangers werden opgenomen.

Bladz. 152, v. 17.
Van 't Noorden was Edessa reeds ontvallen;

Edessa in Mesopotamië, door Boudewijn, Godfrieds broeder, ao. 1097 inge-

[p. 479]

nomen, en beschouwd als de noordoostelijke voormuur van Jerusalem, viel ao. 1144 terug in de handen der Muselmannen.

Bladz. 152, v. 19.
Geleverd, maar geen taal zelfs van Bernard

De Abt Bernard van Clairvaux, de laatse der Kerkvaders geheeten, een der uitnemedste mannen van zijnen tijd, predikte met grooten ijver de tweede kruisvaart, aan welker hoofd zich stelden Keizer Koenraad van Zwaben, en Koning Lodewijk VII, bijgenaamd de Jonge, van Frankrijk. Het ongelukkig gevolg van dezen kortstondigen tocht (ao. 1147-1149) verlamde voor langen tijd alle geestdrift voor de zaak in Europa, tot dat de herovering van Jerusalem door de ongeloovigen die voor een poos weder deed opwakkeren, en den derden kruistocht ten gevolge had, onder Keizer Frederik I Barbarossa, Koning Richard Leeuwenhart van Engeland, en Koning Philippus Augustus van Frankrijk, evenzeer ongelukkig afgeloopen.

Bladz. 152, v. 22.
Weldra - en zelfs de hoofdstad gaat bezwijken.

Ao. 1187.

Bladz. 154, v. 15.
Daar staat hy voor de Benjaminsche poort.

Een poort aan de oostzijde van Jerusalem door Arculfus in de zevende eeuw met dien naam aangeduid, thands de Bab Sitti Marjam, volgens Dr. E.G. Schultz in zijn Jerusalem, bl. 51.

Bladz. 155, v. 17.
Voor eeuwen Isrels zon deed ondergaan:

Het treurlied: Esch Tukad, waarvan hier een vrije, maar aan de hoofdgedachten getrouwe overbrenging volgt, wordt op den vastendag wegens

[p. 480]

Jerusalems verwoesting nog jaarlijks in alle Synagogen aangeheven. Behalve het gedurig contrast, dat de Dichter tracht te doen uitkomen in allerlei meer of min ter zake dienende byzonderheden tusschen de heuchelijke uitleiding uit het diensthuis en den dag van Jerusalems ondergang, valt nog op te merken, tot beter verstand van het lied, dat de overlevering der Joden ééne zelfde dagteekening geeft aan de verwoesting der stad door Nebucadnezar, en die door Titus, mitsgaders aan den beslissenden slag, die het Joodsche volksbestaan, na den opstand van Bar-Cochba, onder Keizer Hadrianus trof.

Blz. 159, v. 7.
Ach heir van smalende Edomieten!

De naam, dien de Joodsche Schriftgeleerden aan de Romein en plegen te geven.

Bladz. 159, v. 16.
Pompejus, Titus, Hadriaan!’

Ik voegde by de combinatie van Nebucadnezar, Titus, en Hadriaan des Hebreeuwschen Dichters, nog de namen van Tiberius, Cajus Cesar (Caligula) en Pompejus; den eerste en den tweede, wegens het geweld, waarmede zy den Joden het plaatsen van 's Keizers beeld in den Tempel, vruchteloos evenwel, zochten op te dringen; den derde, omdat onder hem het allereerst de Romeinen Jerusalem vermeesterden, en tot in het Allerheiligste doordrongen (ao. 63 vóór Chr.).

Bladz. 161, v. 16.
‘Verworpen Jood of Kelb?

Kelb, d. i. hond, is de scheldnaam, waarmede de Muselman by voorkeur den Christen begroet; de Jood is hem meer bepaald een vervloekte.

[p. 481]

Bladz. 162, v. 2.
‘Hoor, Israël!’

De uitroep in Deuteronomium (VI, vs. 4), die in de onderscheidene liturgiën der Joden telkens te rug keert.

Bladz. 163.

[ter gelegenheid der jubelfeestviering van het zendeling-genootschap. Deze en andere zulke zendelings-liederen meer werden vervaardigd op bijzonder verzoek van Ds. W. Jamieson, predikant der Engelsch-Episcopale kerk te Amsterdam. Ook deze in al wat Nederland betreft, in zijne geschiedenis en letterkunde innig belangstellende Broeder uit den vreemde, mogt in de hartelijkste vriendschap van Da Costa deelen, was steeds een getrouw bijwoner zijner voorlezingen, en liet ook in zijn eenigzins gebroken Neêrduitsch zijne stem op treffende wijze bij des Dichters graf hooren.]

Bladz. 167.

[roem der hope. Dit vertolkte gedicht, in het oorspronkelijke het werk van Louisa Henriette, Keurvorstin van Brandenburg, werd mede in den gezangbundel der Hersteld-Evangelisch-Luthersche gemeenten opgenomen.]

Bladz. 169.

[rouw en trouw. Dit lijkgedicht bij den dood van koning Willem II werd het eerst in het Dagblad het Handelsblad van den 5den April 1849 geplaatst.]

Bladz. 176.

[elisabeth. Vervaardigd op verzoek van den uitgever Kruseman om opgenomen te worden in den Dichtbundel ‘Bijbelsche Vrouwen.’]

Bladz. 190.

[aan m.e. de clercq. De jonge Belijderesse hier bezongen was eenige III.

[p. 482]

dochter van des Dichters boezemvriend W. de Clercq. Later werd zij door den echt verbonden met den heer A. Gildemeester, zoon van den heer en mevrouw Gildemeester-Boissevain, mede aan de Clercq verwant, en met Da Costa steeds op den voet der innigste vriendschap verbonden.]

Bladz. 191.

[uit portugal. Dit gedicht werd opgenomen in de Hesperiden met de volgende

Toelichtingen:]
Bladz. 191, v. 2.
Sprak Don Sebastiaan,

Don Manuel, bygenaamd de gelukkige, werd op den troon van Portugal (in 1521) opgevolgd door zijn' zoon D. Johan III, die al de zes Infanten zijne zonen overleefde, en (in 1557) ten opvolger had zijn driejarigen kleinzoon Don (in het Portugeesch: Dom) Sebastiaan. Het is deze vorst, wiens avontuurlijke tocht tegen den koning van Fez en Marokko (in 1578) den ongelukkigen uitslag had, waaruit geboren werd de welbekende sage, waar het dichtstuk in eindigt.

Bladz. 191, v. 11.
‘Voor 't bloed waarop dit wapen wijst,

Het wapen van Portugal bestaat uit vijf kruiswijs geplaatste schildjes, voerende elk op een veld van lazuur vijf bezanten van zilver, met een stip in het midden, ter voorstelling van de vijf wonden des Heilands.

Bladz. 192, v. 6.
Des konings moeder meê,

Eigenlijk 's konings grootmoeder Dona Catharina, eene zuster van keizer

[p. 483]

Karel V, weduwe van Don Johan III, en moeder van den Infant Don Johan, Sebastiaans vader. Haar ernstige waarschuwing tegen den Africaanschen tocht, en haar overlijden vóór de uitvoering daarvan, zijn beide historisch.

Bladz. 193, v. 4.
‘Een bruid aan 's konings zij.’

Daar was vroeger sprake geweest van een huwelijk met Margareta van Valois, dochter van koning Henrik II van Frankrijk, later met eene Infante, dochter van koning Philips II van Spanje, doch Don Sebastiaan wilde elke onderhandeling over dit punt uitgesteld hebben tot na den uitslag van zijn geliefkoosde onderneming.

Bladz. 194, v. 14.
De Infant van Portugal,

Koning Manuel had, behalve zijnen opvolger Don Johan III, nog onderscheiden andere zonen, van welke de laatst overgeblevene, Don Henrik, Roomsch Cardinaal geweest is. Ook hy, vroeger Sebastiaans voogd en Regent des rijks, had zich met kracht tegen den Africaanschen tocht verklaard, en deswege het hof verlaten. De dood van Don Sebastiaan bracht dezen prins (bekend onder den naam van den Cardinaal-koning) op den Portugeeschen troon (1578-1580).

Bladz. 195, v. 7.
‘Ouriques

By Ourique won (in 1139) graaf Alfonsus, zoon van Hendrik van Bourgondie, den slag op de Mooren, die Portugal voor altijd van hunne heerschappy bevrijdde, en een onafhankelijk koningrijk deed worden, door Alfonsus nazaten in de manlijke lijn tot in onze eeuw bezeten.

Bladz. 197, v. 6.
‘Algibarrota ons,

De slag van Algibarrota (doorgaans Aljubarrota) door de Portugeezen

[p. 484]

onder hunnen koning Johan I gewonnen (in 1385), bevrijdde dat rijk van de aanspraak door den koning van Castilië gemaakt; de slag van Toro (in 1476) door Ferdinand en Isabella gewonnen, maakte op gelijke wijze een eind aan de door koning Alfonsus V van Portugal gesteunde eischen op Castilië, ten behoeve van Dona Johanna, koningin Isabella's halve zuster, die hy in dat belang meende te huwen.

Bladz. 198, vs. 12.
‘En 't Barbarijsche zand!

Toen de uit Castilië in 1492 verdreven Joden een schuilplaats gezocht en aanvankelijk gevonden hadden in Portugal, werden vervolgens wederom, op bevel van denzelfden koning Don Johan II, sommigen hunner wreedaartig behandeld, en, met of zonder hunne kinderen, naar de pas ontdekte St. Thomas- en andere eilanden, en naar de kusten van Noord- en West-Africa, verwezen.

Bladz. 200, v. 8.
Van zijn doorluchtigst bloed.

Koning Philips, die overigens den tocht ernstig had afgeraden, zond zijnen neef, den koning van Portugal, eenige hulpbenden onder bevel van Don Alonso de Aguilar, insgelijks by Alcazarkebier gesneuveld.

Bladz. 201, v. 4.
Met streep of barensteel; -

De dwarsche streep over het schild kenmerkt geboorte buiten het huwelijk, - de barensteel op het schild boven de stukken duidt een jongeren familietak aan.

[p. 485]

Bladz. 203, v. 8.
Bepleit door Alvaas zwaard.

Van de vele mededingers tot de opvolging na den dood van den Cardinaalkoning werd ten slotte de zeer ongelijke kamp alleenlijk gevoerd tusschen koning Philips van Spanje, kleinzoon van Don Manuel door zijne moeder de keizerin, en Don Antonio den Prior do Crato, insgelijks koning Manuels kleinzoon uit diens vroeger gestorven zoon D. Luïz. Had Don Antonio een wettig huwelijk zijns vaders met zijne moeder Violante Gomez kunnen bewijzen, zoo was zijn recht ontwijfelbaar. In elk geval beslisten de wapenen ter gunste van den koning van Spanje by Alcántara, alwaar de nederlaag, door den uit Nederland laatstelijk wedergekeerden hertog van Alva aan Don Antonio toegebracht, verpletterend was (in 1580). Voor eenige voortreflijke bladzijden in haren meesterlijken Alva, leverde ook nog deze laatste tocht van den befaamden krijgsman aan Mevr. Bosboom-Toussaint de stof.

Bladz. 204, v. 8.
Een laatste rustbed bood!...

Historisch.

Blz. 205, v. 3.
Door spot en Inquisitievuur:

De Inquisitie beschouwde en strafte het Sebastianismus als een aan Joodsche dwalingen verwant Chiliasmus. En inderdaad, het Joodsch-Christelijk element is in geheel deze vreemdsoortige, maar historisch en menschkundig zoo wel verklaarbare verwachting niet te miskennen. Een gedeelte der (nog heden bestaande) Sebastianisten in Portugal, verwacht niet alleen over dat rijk, maar over geheel de wereld de monarchy van dien Vorst. Een belangrijk bericht over de secte en hare zoo wel godsdienstige als politieke beteekenis gaf in het begin dezer eeuw Joseph Augustin de Macedo onder

[p. 486]

den titel van ‘Os Sebastianistas,’ waarvan eene uitvoerige mededeeling (door de hand van Bilderdijk) te vinden is in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1810, bl. 635-644.

[Op bladz. 201 maakt de Dichter melding van het wapen van de Da Costa's:
Der Costa's zilvren beenderen enz.



illustratie

Men kent den fieren roem, dien Da Costa steeds op den oorsprong van zijn eigen, zoowel als van het geslacht zijner gade uit het edele Spaansch-Joodsche bloed der Da Costa's en Belmontes droeg. Nog in zijn jongste levensdagen

[p. 487]

wijdde hij aan dit onderwerp, in verband met andere onderzoekingen van genealogischen en heraldischen aard, de Spaansch-Joodsche uitgewekenen ten onzent betreffende, in onderscheidene artikelen, in den ‘Navorscher’ opgenomen, menige bladzijde. Het is op grond van dezen kenmerkenden karaktertrek des Dichters, dat men het niet zonder belang voor de vrienden des Dichters geacht heeft, de wapens der beide geslachten in houtdruk in dezen bundel op te nemen, waarvan de teekening genomen is naar den eenvoudigen grafsteen, die door de zorg van den zoon des Dichters sints November 1861 de juiste plaats aanduidt, waar zijn overschot rust.]

Bladz. 207.

[ter zilveren bruiloft van den wel-eerw. heer j.b.h. bruinier. De bezongen leeraar was Predikant bij de Hervormden te Amsterdam, en overleed aldaar in den jare 1856. Da Costa waardeerde in hem den voormaligen Akademiebroeder, zoowel als den getrouwen geloofsverwant en medestrijder op het gebied zijner overtuiging in het stuk van godsdienst.]

Bladz. 208.

[feestzang ter gelegenheid van het vijftigjarig hoogleeraarsambt van mr. d.j. van lennep. Dit dichtstuk werd voorgedragen op den feesten eeremaaltijd des jubelenden Hoogleeraars, waaraan Da Costa mede aanzat.1 De Schrijver dezer aanteekeningen herinnert zich dit gedicht nog eenmaal, op verzoek, door den Dichter te hebben hooren voordragen bij eene Vrienden-bijeenkomst ten huize van Mevrouw de Douairière Calkoen- van de Poll, boven reeds vermeld, waarop ook Mr. D.J. van Lennep tegenwoordig was. De lezing van het gedicht werd opgevolgd door eene warme uitboezeming van den dankbaren leerling aan den hoogvereerden leermeester in welsprekend proza, dat door dezen in gelijken geest en toon beantwoord werd. Voor de deelnemende oog- en oorgetuigen had deze jongste zamenkomst (welligt) van beide aan den avond van beider leven een aandoenlijk belang. Ook Mr. J. van Lennep, de zoon des Bezongenen, was onder de gasten,

[p. 488]

hij, met wien Da Costa mede door banden van dichterlijke en vriendschappelijke waardering van jongsaf verbonden was en bleef.]

Bladz. 219.

[by een afbeelding van het graf van voltaire. Dit gedichtje werd vervaardigd om te dienen als Bijschrift van ééne uit een viertal steendrukplaten, voorstellende het graf van Voltaire, uitgegeven bij J.L. van der Vliet te 's Hage. De andere stelden voor de graven van Napoleon, Frederik den Groote en Chateaubriand, waarbij poezij gevoegd was van de dichters Tollens, Withuijs en van Lennep.]

Bladz. 221.

[‘men roept van groenlands bergen.’ Dit lied werd vervaardigd op verzoek van Ds. Jamieson, voor een bidstond voor de Evangelische zending onder de Heidenen. Zie boven.]

Bladz. 223.

[aan israëls verstrooiden. Dit gedicht is vóór het boekwerk: Israel en de Volken, uitgegeven bij de Erven F. Bohn te Haarlem 1848, te vinden.]

Bladz. 224.

[ter nagedachtenis van herman gildemeester. Deze veelbelovende jonge man, zoon van den Heer H.D. Gildemeester-Boissevain, werd op een togt naar St. Francisco in Californie door den dood weggenomen. Verloofd met eene dochter van den bekenden Geneefschen Christenprediker en zanger César Malan, (thans Mevrouw Scharff te New-York) werd daardoor dit sterfgeval dubbel aandoenlijk, gelijk dan ook de Dichter daarop zinspeelt.]

Bladz. 228.

[by den dood van het kind van onze vrienden gregory pierson-oyens. Dit lief, maar bevallig lijkgedichtje werd geschreven ter vertroosting van

[p. 489]

dierbare vrienden, den Heer en Mevrouw Gregory Pierson-Oyens, met wie Da Costa gedurende vele jaren op het innigste vertrouwd was en tot zijnen dood toe bleef. Wat de betrekking nog te inniger maakte, was de belangstelling, die met name Mevrouw Pierson steeds door woord en daad in de zending onder Israël betoonde, gelijk in het algemeen haar talent als stichtelijke schrijfster, vooral ten behoeve der jeugd, door Da Costa hoog gewaardeerd werd. De indruk, door dit veelvuldig verkeer des Dichters ten huize zijner ouders met name op hunnen zoon Dr. A. Pierson gemaakt, blijkt, bij groot verschil overigens in inzigt en gevoelens, uit des laatsten Intimis op eene meesterlijk geschrevene bladzijde ter herinnering van Da Costa, op sterksprekende wijze. Zie Intimis. Mededeelingen door Dr. A. Pierson bl. 28 en 29.]

Bladz. 232.

[aan jonkvrouwe esther capadose, dochter van Dr. Abraham Capadose, thans echtgenoote van Ds. Bervoets, Predikant te Hengelo.]

Bladz. 234.

[Deze bede, in des Dichters nagelaten papieren niet voorhanden, werd mij in Da Costa's onmiskenbaar handschrift door de goedheid van Mr. H.J. Koenen medegedeeld. Het heeft mij echter niet mogen gelukken het oorspronkelijke in Byrons werken te vinden.]

Bladz. 235.

[het woord tot tyrus. Dit gedicht werd uitgegeven in de Hesperiden, met de volgende]

Aanteekeningen.
Bladz. 235, v. 9.
De boorden van uw kiel zijn van cypressenhout, -

Dat by deze beschrijving het schip zelve van Staat verstaan moet

[p. 490]

worden, en geen stoffelijk vaartuig, is uitvoerig aangetoond door van der Palm op dit Hoofdstuk.

Bladz. 235, v. 13.
Kunstkeurig ingelegd uit Chittim,

Italië en de eilanden in de nabyheid.

Bladz. 236, v. 4.
Uit kroost van Arvad

Het eiland Aradus op de Phenicische kust.

Bladz. 236, v. 19.
Met muildier beide en paard, waarvoor u Dedan

Een eiland in den Persischen zeeboezem.

Bladz. 236, v. 21.
Een ander Dedan

Een Idumeesche stam.

Bladz. 237, v. 5.
Uit Aram

Syrië en haar hoofdstad Damascus, vs. 16 en 18.

Bladz. 237, v. 6.
En 't fijnste druivenbloed, dat Chelbons

Volgens sommigen, het hedendaagsche Aleppo.

[p. 491]

Bladz. 239.

[uit miltons verloren paradijs. Deze en al de volgende vertolkingen uit Homerus, Tasso en Göthe werden vervaardigd om te dienen op de Vrijdagsche Voorlezingen.]

Bladz. 241.

[des engels verhaal. Voor deze vertolking plaatste de Dichter de volgende

Toelichting.]

Overeenkomstig Epische schikkingskunst, waarvan reeds de Dichter der Odysséa het voorbeeld gaf, heeft ook Milton in het midden der Twaalf Zangen van zijn Verloren Paradijs een plaats gevonden voor de dingen, die zijn eigenlijk onderwerp in orde van tijd of oorzakelijkheid voorafgingen. Hy laat die door den Engel Raphaël aan het eerste menschenpaar verhalen, en daaronder dan ook de geschiedenis der Schepping, die het zevende Boek van zijn onsterflijk Dichtstuk bijna geheel (v. 180-640) vervult.

Bladz. 280.

[de chaos en het licht. Dit halve-Eeuwslied werd voorgedragen in het Odeon met een weldadig doel. Het werd later in de Politieke Poëzy gedrukt met de volgende

Voorrede.]

De tijd, in welken wy leven, ofschoon in de meeste zijner richtingen meer stoffelijk gezind dan dichterlijk gestemd, heeft evenwel al ware het slechts door zijn rusteloos streven en jagen eene hoogst dichterlijke zijde. Geen dag wellicht gaat er voorby, geen dagblad komt ons voor oogen, of daar is overvloed van aanleiding tot poëtische opvatting, van stof tot poëtischen zang. Treurzang of triumfzang? Het hangt af van het standpunt niet bloot de individueele gissing van den Dichter is, maar, aangegeven door het woord van God zelven met betrekking tot de toekomst der wereld, van uit zijne objectieve

[p. 492]

vastigheid, op een licht- en troostvol verschiet wijst by de sombere gewaarwordingen zoo voor het naast op handen, als van het tegenwoordige oogenblik.

Het was dit standpunt, dat in het jaar 1840 my den eersteling in de pen gaf van hetgeen men, sedert, mijne politieke poëzij heeft goed geacht te noemen: de Vijf en Twintig Jaren, waarvan later het Lied des Wachters en dat van: 1648 en 1848 een soort van Tweede en Derde Zang zijn geweest. En ik had het misschien wel by dit drietal voor altoos laten blijven, ondanks de voortgaande en steeds nieuwe zich opvolgende bewegingen in de onderscheidene afdeelingen en elementen der maatschappij, der menschheid, der Christenheid: Doch voor welken Dichter, die zich eenmaal op deze baan geplaatst zag, zou het jaartal, dat wy schrijven, niet iets bijzonder opwekkends hebben gehad tot het werpen op nieuw van een blik op den gang der tijden, en het wedergeven van den diepen indruk daarvan in een Lied? Het vijftigste jaar der Eeuw kon alzoo wel niet onbezongen blijven; aan stof althands van buiten, aan eenige beweging inwendig, ontbrak het daartoe nog niet.

De vrucht dezer aandrift deel ik, by de snelle vlucht van dagen en gebeurtenissen, zonder veel uitstel aan belangstellenden in deze mijne latere dichterlijke voortbrengsels mede. De Chaos en het Licht is op nieuw een Lied van den tijd en van de toekomst, dat intusschen van zijne drie voorgangers, zoo ik acht, in vorm en zamenstel nog al eenigzins verschilt. Stelde toch het Lied van 1840 ons achteréénvolgens enkele sterk uitkomende oogenblikken in de geschiedenis van Europa en van de Christenheid voor; -doorliep het Lied des Wachters in 1847 niet zoo zeer de dagen reeds achter ons, als wel de toestanden der voorname Europeesche Staten, en de teekenen van de tijden zoo in het Zuiden als in het Noorden, zoo in het Oosten als in het Westen, gelijk zich die op dat oogenblik aan het oog des beschouwers vertoonden; - plaatste een later Dichtstuk tegen over elkander het tijdvak, in 1648 besloten, en dat hetwelk met 1848 geopend werd; - het vers dat thands met den titel van Halve-eeuws-lied in het licht treedt, laat zijne voorstelling der naderende toekomst van een eenigzins anders ingerichte inleiding voorafgaan. Ten behoeve eener zuivere opvatting van den zamenhang in dit gedeelte des Dichtstuks, is wellicht een woord van voorkomende opheldering hier niet overbodig.

[p. 493]

Drie onderscheidene stemmen, die geen van allen de verwachting van den Dichter zelven uitdrukken, gaan de ontwikkeling zijner eigene overtuigingen in dezen zijnen nieuwen Tijdzang vooraf.

De eerste stem geeft het denkbeeld te rug dergenen, die de tegenwoordige schuddingen in de politieke en sociale wereld als de onfeilbare voorboden beschouwen van eene algeheele vernietiging der wereldbeschaving, van een te rug vallen tot een volstrekten staat van barbaarschheid, by de volken van Europa althands. Dat het gevoelen, door deze stem vertegenwoordigd, niet bloot die eener overdrevenheid van angst wegens de verschijnselen van het oogenblik, en nog veel minder die der onbedrevenheid in de geschiedenis der volken en der wereld is, kan blijken, onder anderen, uit een veel beteekenend woord, eenige jaren geleden reeds door den beroemden Niebuhr geuit: ‘dat wy, zoo God het niet als door een wonder verhoedt, te wachten hebben een verstoring, gelijk aan die, welke de Romeinsche wereld onderging in het midden van de derde eeuw onzer jaartelling: eene vernietiging van alle welvaart, vrijheid, beschaving, en wetenschap.’1

De tweede stem in het Dichtstuk erkent het gevaar, in de eerste afgeschilderd, als dreigend maar niet onafweerbaar. Zy wil het middel van bewaring en redding in een krachtig stuiten van den loop der eeuwbewegingen, in een toevlucht nemen tot de meest consequente vormen van een onbepaalde Alleenheersching, gezocht hebben; zy stelt als een soort van ideaal daartoe voor: het gebied van den Russischen Czaar.

Tusschen deze beide uitersten: van een pessimisme zonder eenig uitzicht van latere oplossing of herstel, en de wanhopige hoop op een Asiatisch absolutisme, plaatst zich dan vervolgens, als derde stem, die van het juiste midden, hetwelk zich met betere uitkomsten voor beschaving en menschheid uit de woelingen van dit tijdvak blijft vleien, en zich de gevaren van het oogenblik òf vergoêlijkt door het denkbeeld, dat het ten allen tijde met de menschheid wel zoo wat meer of min als in onzen tijd gegaan is, en alles ten slotte zonder schipbreuk, veel min ondergang der maatschappij, wel zal te recht komen.

[p. 494]

Ik vlei my, dat in het Dichtstuk aan de vertegenwoordiging der drie opgenoemde gevoelens niets in den mond gelegd is, dat de voorstanders daarvan niet gereedelijk zouden erkennen, in substantie hunne gedachten uit te drukken; ofschoon dan ook hier en daar de wijze of de toon der uitdrukking van een zekere ironie niet moge vrij zijn, die het doet gevoelen, dat de Dichter in die stemmen alles behalve zijne eigene overtuigingen heeft nedergelegd.

Doch ofschoon dan ook het standpunt en de uitzichten, daarin ontwikkeld, wat de laatste resultaten betreft, in lijnrechten strijd zijn met hetgeen de tweede Afdeeling van het vers als de innige geloofsovertuiging van den Dichter zelven hier op nieuw te kennen geeft, uit één zet, en belijdt, zoo is het er evenwel ver van daan, dat van de onderscheidene bijzonderheden, in de drie stemmen opgenomen, niet nog veel zoude overblijven, waarvan òf het feitelijk bestaan zonder bedenking erkend, òf zelfs de beschouwing, als op zich zelve juist en waar, toegestemd moet worden. Het is met deze stemmen gelegen (indien de vergelijking ter opheldering geoorloofd is) als met de redenen der vrienden van Job in het Bijbelboek van dien naam, wier verkeerde beschouwing van het eigenlijke vraagpunt niet verhindert, dat hunne redenen eene menigte van groote waarheden bevatten en uitdrukken, die door niemand mogen worden gewraakt of als onnut ter zijde gesteld.

Ik heb met deze toelichting van een nog ongelezen Dichtstuk het (erkend) min dichterlijke van een soort van commentarie op eigen arbeid misschien reeds veel te ver gedreven. Toch mag ik het my zelven niet te zeer verwijten, verlangend als ik was om, by slechts eenigzins te vreezen onduidelijkheid of misverstand, al het mijne te doen om, in eene eerste plaats, ten aanzien der zaken zelve begrepen te worden. Ook hierin ga ik liefst uit van het beginsel, dat, waar ook anders de spreuk moge gelden: ‘de kunst alleen om de kunst!’ op het terrein van poëzy, my aangewezen, de Dichter zich de bij ten voorbeeld mag stellen, die haar zeshoek van was niet bouwt om de schoone regelmatige figuur zelve, maar om de eetbare honig, die het hare bestemming is daarin neder te leggen.

Eenmaal dan nu my zoo ver ingelaten hebbende met de toelichting van zamenstel en bedoeling ten aanzien van het Dichtstuk in zijn geheel, zal ik

[p. 495]

my wel minder behoeven te verschoonen wegens het geven van opheldering omtrent enkele bijzonderheden. Ik meen, in elk geval, dat er van deze laatsten slechts zeer weinigen zijn, die hier dergelijke uitlegging vorderen. De meeste feiten, waarop het Dichtstuk zinspeelt, zijn van de meest openbare bekendheid. De volgende plaatsen alleen schijnen my tot eenige herinnering of verklaring te noodigen.

Hetgeen op bl. 284 van de spanning tusschen ‘Israëller en Duitscher’ gezegd is, ziet op het wèl bekende deel, dat een aantal zich by uitnemendheid verlicht noemende Israëliten aan de jongste woelingen in Duitschland op meer dan ééne wijze genomen hebben. Men mag daarby intusschen niet vergeten, dat zich ook in de rangen van het Behoud meer dan één Israëlitische naam onderscheiden heeft, zeer bepaaldelijk in Hongarije; maar vooral mag hier herinnerd worden, met hoe weinig wederzijdsche trouw den Israëliet, hetzij in Duitschland, hetzij in Frankrijk, zijne aansluiting ook aan de partij der omverwerping vergolden pleegt te worden. Men vergelijke voorts over deze aangelegenheid mijn Overzicht van de Geschiedenis der Joden (IVe Boek, bl. 531 en volg.) Aangaande verder hetgeen ter zelfder plaats in het Dichtstuk omtrent de zendelingen van den verdelgenden Omwentelingsgeest in Duitschland gezegd is, zijn schrikverwekkende, maar daardoor juist te gewichtiger bijzonderheden medegedeeld in de Bijdragen tot de Geschiedenis van Radicalismus en Communismus, ten jare 1848 in onze taal met een zeer merkwaardig Voorwoord uitgegeven door mijn geachten Vriend Mr. A. Baron Mackay. - De melding van Dr. Gutzlaff in de slotregelen van het Dichtstuk zal, in dit oogenblik vooral, wel geene toelichting behoeven. Minder algemeen bekend waarschijnlijk, ofschoon in zijnen werkkring vooral niet minder belangrijk, is de naam van Casalis, den oudsten Zendeling van de Parijsche Societé des Missions Evangélique, sedert vele jaren onder veel lijden en zegen werkzaam onder de Bassutoos en andere verwilderde stammen in Zuid-Africa. - De Christelijk verhevene gedachten, plannen en werkzaamheden van den Candidaat Wichern te Hamburg (op welke ter zelfder plaats in het Dichtstuk gezinspeeld wordt) ter evangelisatie en redding van diep vervallene massaas in het midden der Christenheid zelve, hebben ook door zijn boek:

[p. 496]

Ueber innere Mission Europeesche bekendheid verkregen. Onze Heldring die, reeds onafhankelijk van het voorbeeld des voortreflijken Hamburgers, eenige dier denkbeelden in het leven bracht door zijne stichtingen zoo van Hoenderloo als van Steenbeek, zal (hopen wy) door de spoedig gewachte mededeeling van een onlangs door hem volbracht bezoek te Hamburg en te Berlijn, ons nog meer in bijzonderheden bekend maken met den man en zijnen veel omvattenden arbeid.

En hiermede, na een welgemeend Heil aan mijnen Lezer, ter zake!

 

1850.

[Het gedicht werd besloten met de volgende

Aanteekeningen.
Bladz. 281, v. 8.
Met menig vrijheid, enz.

Wat hier bedoeld werd, is straks duidelijker uitgedrukt bladz. 287 v. 15 en 16.

Bladz. 283, v. 19.
Chiméraas beeld gelijk.

Het door Bellerophon in de fabel overwonnen monster, door Homerus beschreven als volgt:

 
Πρόσθε λέᏉυ, πιθευ δὲ δράϰωυ, μέσση δε χίμαι ρα.
 
‘Van voren leeuw, van achter draak, in 't midden geit.’

Bladz. 299, v. 11.
Hoofd- en gevelsteen van 't Huis!

Op welke gronden sommigen meenen door het Hoofd des hoeks (Ps. CXVIII: 22) niet een Hoeksteen, maar den Gevelsteen, in toepas-

[p. 497]

sing bepaaldelijk op den verworpen straks verheerlijkten Christus to mogen verstaan, is beschreven in de Nederlandsche Stemmen, Dl. V. 130-132.

Bladz. 303.

[aan dr. k. gutzlaff. Welk een vurig vriend en bevorderaar der Christenzending onder de Joden Da Costa ook zijn mogt, dit belette hem niet ook de belangen der zending onder de Heidenen op het hart te dragen. Bleek dit reeds vroeger uit de door hem vervaardigde Zendingsliederen, een nieuwe proeve daarvan geeft dit klein gedicht aan den ijvervollen Chinavriend Dr. Gutzlaff, die zich toenmaals in ons midden bevond.]

Bladz. 305.

[op een afbeeldsel van bilderdijk. Bij de opnamen van dit gedicht ten geleide van het portret van Bilderdijk, in het Album van Schoone Kunsten geplaatst, deed Da Costa dit Dichtstukje vergezeld gaan van de Aanteekeningen, die hier volgen:]

Bladz. 305, v. 2.
Zijns levens,

Het portret van Bilderdijk, onlangs in dit Album verschenen, dankt zijnen oorsprong aan eene schilderij vervaardigd door den kunstschilder Schmidt ten jare 1787. De Dichter was toen drie en dertig jaren oud. Het jaartal, aangeduid door het onder den naam geplaatste cijfer is ook kenbaar aan het Oranjelint met medaillon van Willem V, hetwelk tot evengenoemd tijdvak in de geschiedenis der Nederlandsche Republiek verwijst.

Bladz. 305, v. 6.
Hem uitwierp van dit strand en prijs gaf aan de baren;

De uitzetting van Bilderdijk uit het grondgebied van den Haag, daarna van

[p. 498]

de provintie Holland, en vervolgens van geheel de Bataafsche Republiek, was het gevolg van een alleszins kalm en voegzaam, maar door den aart zelve der zaken en der redenen scherpsnijdend, Adres aan de Provisioneele Representanten van het Volk van Holland, waarby vrijstelling van den nieuwen Eed, ook aan de Advocaten by den Hove van Holland opgelegd, verzocht werd hoofdzakelijk op grond, dat ten eerste naar alle beginselen van algemeen en Staatsrecht van niemand het bezweeren van gevoelens kan gevorderd worden, en dat nog zoo veel te minder, daar de vrijheid van gevoelens van zelve begrepen was in de by openbaar Placaat afgekondigde vrijheid voor ieder om zijne gevoelens te openbaren het zijn door den druk, het zij op eenige andere wijze; dat ten tweede de onvervreemdbare rechten van den mensch en den Burger door den Adresaant geenszins zoodanig als zy by placate verklaard waren, in geweten konden erkend worden, en dat wederom te minder, daar de nadere bepaling van die rechten later nog eerst zou moeten geschieden, volgens datzelfde Placaat, by eene nationale by eenroeping van Repraesentanten van het geheele volk, dat ten derde, - een zoodanige eed, als thans gevorderd werd, in des Adressants geweten onbestaanbaar was met de vroeger door hem afgelegde van getrouwheid aan de Souvereiniteit der Staten van Holland en Westvriesland met het Erfstadhouderschap in het Doorluchtig Huis van Oranje en Nassau. Op dit Request, sedert met andere Echte Stukken daartoe behoorende in het licht gegeven (ao. 1821), werd door Hunne Hoogmogenden (gelijk zich toen nog de Repraesentanten van het Bataafsche volk bleven noemen) in echt revolutionnaire taal besloten, aan den ‘befaamden Willem Bilderdijk’ door den Procureur Generaal te doen gelasten om binnen den tijd van 24 uren den Haag en binnen dien van acht dagen geheel Holland te verlaten, en voorts, ‘van dat schandelijk request copie te brengen ter tafel van de Generaliteit, met communicatie van de resolutie by deze Vergadering genomen, ten einde men tegen zulk een gevaarlijk sujet in de andere provintiën op deszelfs hoede zoude kunnen zijn.’

[p. 499]

Bladz. 305, v. 8.
Een krans van smaadheên vlocht voor zijn vergrijsde hairen.

Onder andere voor het nageslacht ongelooflijke beleedigingen den grooten Dichter en Denker aangedaan staat my nog levendig voor den geest hoe, op zeker oogenblik van buitengewone ergernis, niemand zich in de nabyheid van den Grijzaart wilde plaatsen by zijn verschijnen in eene letterkundige Maatschappij, waarvan hy een der oudste leden was; tot dat de, by alle verschil van gevoelen, altijd loyale Kemper binnentrad en naast Bilderdijk plaats nam. De buitengewone ergernis was gegeven, als men waarschijnlijk reeds gegist heeft, door des Dichters in lessen en verzen te veld trekken, destijds, tegen dat beginsel van onhistorische constitutiën, waarvan althands de vruchten in 1830 en 1848 door duizenden ook van zijne hevigste tegenstanders zoo bitter betreurd en hevig veroordeeld zijn.

Bladz. 306, v. 14.
‘Kwam by zijns Dichters lijk Florence boete doen; -

Men weet dat de Italiaansche Hoofddichter Dante Alighieri door de partij der Guelfen uit zijne geboortestad Florence ten jare 1301 verdreven, te vergeefs by herhaling den te rug keer beproefde, die hem tot op zijnen dood (voorgevallen in 1321) door den onwil des volks onmogelijk werd gemaakt. Hy stierf diensvolgens in ballingschap en na veel zwervens te Ravenna. Onmiddelijk vaardigde de Republiek van Florence een plechtig gezantschap af naar den Vorst van Ravenna om het stoffelijk overschot van den grooten balling te bekomen. Straks richtten zy standbeelden voor hem op, lieten medailles slaan ter zijner eer, stichtten een openbare leerstoel in hunne stad met het bepaalde doel om aldaar de Divina Commedia te doen voorlezen en uitleggen, en hielden tot op dezen dag niet af aan de gedachtenis huns Dichters als ware het te vergoeden wat het vaderland hem by zijn leven was schuldig gebleven.

[p. 500]

Bladz. 306, v. 15.
‘Maar Bilderdijk ontsliep, en Neêrland bleef vervolgen.’

Men zal de uitdrukking misschien wat sterk vinden. In den starren letterlijken zin opgevat is zy byna ongerijmd. Men is met den dood van alle personeele vervolging immers vrij! en bovendien, heeft niet met betrekking tot Bilderdijk de Dichter W. D-S in den Gids, nog onlangs de aanspraak des overledene op rust (meer dan roem) doen gelden? Maar indien stelselmatige miskenning van eens grooten mans verdiensten met zorgvuldig ophalen van alle wezenlijke en ingebeelde leemten of gebreken met eenig recht tot eene daad van vervolging mag betrokken worden, zoo laat ik het aan onpartijdiger, dan ik zelve in deze zaak zijn kan of mag, volgaarne over, na behoorlijke kennisneming van hetgeen over Bilderdijk ook na 1831 in ons land geschreven is, te beslissen of de uitdrukking onjuist was. Heeft, om iets te noemen, niet nog onlangs de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leyden kunnen goedvinden het jongst uitgegeven Deel harer Werken te openen met een vertoog, in haar midden voorgelezen, om te bewijzen dat Bilderdijk in het politieke niet veel meer dan een weêrhaan is geweest? Men mag zich voorstellen dat in een volgend Deel dier Werken ook des Dichters handhaving tegen dit oordeel niet zal ontbreken; doch ook al werd die daar ter plaatse niet gegeven, het stuk zelve zal wel niet lich iets meer bewijzen, dan de persoonlijke vooringenomenheid des Schrijvers tegen Bilderdijk en zijne Godsdienstig-staatkundige beginselen. In plaats van een historisch, krittisch, psychologisch onderzoek omtrent de verhouding tusschen die beginselen en de praktische toepassing daarvan in het leven des Dichters, is hier althands niets anders geleverd dan eene eenzijdige, onedelmoedige, en onmenschkundige acte van aanklacht. Doch by dit enkele voorbeeld bepaalt zich de onbillijkheid jegens Bilderdijks streven en zijne nagedachtenis niet.

Waarlijk! men doet natie even weining dienst met de toedichting van deugden, die haar zoo byzonder niet eigen zijn, als met de miskenning van die, door welke zy wezenlijk uitmunt. Ik geloof dat al zeer weinige volken in beiderlei opzicht meer miskend worden dan het Nederlandsche. Men roemt hoogelijk zijne verdraagzaamheid. Het zij zoo (schoon ook te dezen opzichte de jaarboeken van 1834-1840 treurige uitzonderingen hebben opgeleverd) voor zoo ver het openbare en geweldige vervolgiug geldt! In ons land heeft de overdraagzaamheid een karakter van voorzichtigheid en overleg doorgaans, dat voor dergelijke uitspatting tot op zekere hoogte beveiligt. Maar het zou de moeite waard zijn te onderzoeken of er wel een land in geheel Europa bestaat waarin, by gelijken roep van verdraagzaamheid en naauwgezetheid, aan vooroordeel en partijzucht meer wordt toegegeven in den weg van anonymiteit, clubistery, bedekte uitsluiting, en al wat meer op dit gebied naar wegen en werken der duisternis voor het minst zeer gelijkt. Hoe dit zij, de onverdraagzaamheid, althans door Bilderdijk in hare beide vormen van openbaar geweld en verborgen overleg ondervonden, behoort tot de onloochenbare feiten der geschiedenis.

Amsterdam, 1851,

Bladz. 307.

[gelukwensch aan j. bosboom enz. Deze feestgroet aan den Heer Bosboom en Mejvr. Toussaint bij hun huwelijk toegezongen