Terwijl Uilenspiegel zich laafde aan de levensbron, ontwaakten al de vogelkens in 't veld.
Klaas, die mutsaards bond, bezag zijne vrouw, die de borst aan Uilenspiegel gaf.
- Zeg eens, vrouw, sprak hij, hebt ge nog veel van die lekkere melk?
- De kruiken zijn vol, man, antwoordde zij, maar dat is niet voldoende om mijn hart te verblijden.
- Gij spreekt zoo jammerlijk van 's morgens vroeg?
- Ik denk er aan, zegde zij, dat er geen oortje meer steekt in de tassche, die daar aan den muur hangt.
Klaas nam de tassche van den wand; maar hij had ze goed te schudden, hij hoorde er geen geld in rinkelen. Hij was er heel onthutst over; doch hij wilde zijne vrouw moed inspreken. Daarom zegde hij:
- Waarover bekommert gij U? Hebben wij in de schapraai den koek niet liggen, dien Katelijne ons gisteren gaf? Zie ik daar geen groot stuk vleesch, dat ten minste voor drie dagen goede melk aan 't kind zal geven? Die zak boonen daar, in den hoek, is die een voorteeken van hongersnood? En dat kuipje boter bestaat toch niet in mijne verbeelding? In mijne ver-
beelding ook niet, die appelen, welke, met elven in 't gelid, op 't opperste liggen? En de dikke tonne schuimende Brugsche kuite, noodt zij ons, met haren vollen buik, niet tot eene gulle drinkpartij?
- Als 't kind gedoopt wordt, zei Soetkin, moeten er twee oortjes zijn voor den pastoor en een gulden voor 't festijn.
Daarop kwam Katelijne weer het huis binnen met een grooten bundel kruiden; zij sprak:
- Aan het kind bied ik de angelica, die den man voor ontucht behoedt; de venkel, die Satan van hem verwijderd houdt...
- Hebt gij het kruideken niet, vroeg Klaas, dat de guldens aantrekt?
- Neen, zegde zij.
- Dan ga ik zien of er niets in de vaart te vinden is.
Hij ging heen, met zijne lijn en zijn net; hij was toch zeker dat niemand hem ontmoeten zou, want het was nog eene heele uur vóór de oosterzon aan de kim zou oprijzen en de bedeklok, in Vlaanderen, zes uren kleppen zou.