Den vooravond had men aan den steiger van 't gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van Keizer Karel, zwanger was en gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten gedaan worden.
Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.
- Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.
- Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht, spoken zag ik die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras. - 'k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken. - De bloedsteen die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebroken.
- Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat een duister voorteeken voor Vlaanderenland.
- Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.
- Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.
Doodsbleek en schreiend, sprak Katelijne nog:
- Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philips, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten.
Philips wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhartig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die steeds in braafheid, eer en zachtheid zijn brood verdient.
Keizer Karel en koning Philips zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog, knevelarij en andere misdaden.
Klaas, die heel de week werkt, leeft volgens recht en wet; bij zijn zuren arbeid, lacht hij in steê van te weenen, hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, zal de wereld rondloopen zonder zich ergens te vestigen.
En hij wordt boer, edelman, schilder, beeldhouwer, alles te gelijk.
Door de wereld zal hij aldus gaan, hij zal het goede en het schoone prijzen, lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.
Edel Vlaamsche volk, Klaas is uw moed en Soetkin uwe wakkere moeder; Uilenspiegel is uw geest, een lief en snedig meisje, Uilenspiegel's gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hart zijn, en Lamme Goedzak, eene dikke pens, uwe maag.
En omhoog zullen de opeters van 't volk staan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovende wespen, omlaag de noeste bijen, en hoog in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.
Als Katelijne, de goede tooverheks, dit gezegd had, viel zij in slaap.

De voorzegging van Katelijne. (Blz. 9.)