terug  begin  verderprepost

XIII

Als Klaas afscheid nam van zijn broer, steeg hij weer op den ezel, met Uilenspiegel achter zich. Op de Markt van Meiborg stonden velerhande pelgrims die, als zij hen zagen, in woede ontstaken en de stokken dreigend omhoog hieven. En allen riepen: ‘Schelm! Nietdeug!’ ter wille van Uilenspiegel, die zijne broek los gedaan en zijn hemde opgetrokken had, en zijne achterkaken liet zien.

Klaas, ziende dat ze zijn zoon bedreigden, vroeg hem:

- Wat hebt gij gedaan dat zij zoo kwaad op U zijn?

- Vadertje lief, antwoordde Uilenspiegel, ik zit op den ezel en zeg tot niemand een woord, en toch schelden ze mij uit voor een nietdeug.

Toen dede Klaas hem langs voren zitten.

In die postuur, stak Uilenspiegel de tong uit naar de pelgrims, dewelke roepend en tierend, hem de vuisten toonden en met hunne stokken Klaas en den ezel dreigden.

Maar Klaas sloeg op zijn ezel om hunne woede te ontvlieden. Terwijl de pelgrims hen nog achternazaten, sprak Klaas tot zijn zoon:

[p. 28]

- Gij zijt dus onder een zeer slecht gesternte geboren, want gij zit voor mij, gij doet niemand kwaad en ze willen U dooden.

Uilenspiegel hield den buik vast van 't lachen.

Als Klaas door 't land van Luik reed, hoorde hij zeggen dat die van Rivage hongersnood leden en dat ze gesteld waren onder de juridictie van den officiaal, eene vierschaar van geestelijke rechters. Zij maakten opstand om brood en om wereldlijke rechters te bekomen. Eenigen werden onthoofd of gehangen, andere gebannen uit 't land; dat was de goedertierenheid van den zachtzinnigen aartsbisschop, den hoogweerdigen la Marck.

Klaas zag onderwege de gebannenen die de zoete vallei van Luik ontvloden, en, op de boomen, omtrent de stad, de lijken van de menschen die opgehangen waren, omdat zij de misdaad begaan hadden van honger te hebben. En Klaas schreidde over hunnen rampspoed.

prepostterug  begin  verder