Als Klaas, op zijn ezel, weer t'huis kwam met een zak vol oortjes, dien hij van zijn broeder gekregen had en ook met een schoonen beker van Engelsch tin, was 't Zondag en weekdag kermis in de arme stulp: alle dagen at men boonen met vleesch.
Menigmaal vulde Klaas den schoonen beker met schuimende dobbele kuite.
Uilenspiegel at voor drieën; hij ging en kwam naar de borden en teilen als een musch op een graanzolder.
- Eet gij het zoutvat niet meê op? vroeg Klaas.
Uilenspiegel antwoordde:
- Wanneer, gelijk hier, het zoutvat gemaakt is van eene uitgeholde korst brood, moet men het soms opeten, anders komen er wormen in.
- Waarom, zegde Soetkin, vaagt gij uwe vettige handen aan uw broek af?
- Aan mijn broek? wel, om met geen natte billen te loopen.
Daarop dronk Klaas eene groote teug bier uit zijnen tinnen beker.
Uilenspiegel vroeg hem:
- Waarom hebt gij zoo'n grooten beker en ik maar een klein kroezeken?
Klaas antwoordde:
- Omdat ik uw vader en de baas van 't huis ben.
Doch Uilenspiegel hernam:
- Gij drinkt al veertig jaar en ik nog maar negen jaar, gij hebt al genoeg gedronken, en mijne beurt is gekomen. Geef mij den beker en neem gij het kroezeken.
- Zoon, sprak Klaas, wie eene tonne bier in een vaatje zou willen, zou overgieten.
- Nu, ga dan te werk met verstand en giet uw vaatje in mijne tonne, want mijn buik is grooter dan uw beker, antwoordde Uilenspiegel.
En lachend liet Klaas hem zijn beker ledigen. En zoo leerde Uilenspiegel listig worden, om bier te krijgen.