Soetkin sprak tot Klaas:
- Man, ik heb den dood op het lijf, 't is nu al drie dagen dat Thijl uit den huize is. Waar mag hij wel zijn?
Treurig antwoordde Klaas:
- Hij is waar de straathonden zijn, op den grooten weg, met nietdeugen van zijn soort. God was vol wreedheid, toen hij ons zulk een zoon gaf. Als Thijl ter wereld kwam, zag ik in hem de vreugd van onzen ouden dag, een werktuig te meer in het huis; ik meende hem een handwerk te leeren en 't boosaardige noodlot maakt van hem een schelm, een dagdief.
- Wees niet te gestreng, man, sprak Soetkin. Onze zoon is maar negen jaar, hij is dus nog in al de dolheid van de jeugd. Moet hij, als de boomen, eerst zijne hulsels niet afwerpen, alvorens zich te kunnen tooien met zijne bladeren die, voor den boom des volks, de eer en de deugd zijn? 't Is een kleine guit, ik weet het, maar zijne slimheid zal later te zijnen goede keeren, als hij ze tot een of ander goed ambacht aanwendt, in steê van ze tot kwade parten te gebruiken. Hij steekt gaarne den draak met iemand; maar later zal hij deelmaken van eenigerhande lustig broederschap. Hij lacht gedurig; maar de gezichten die zuur zien vóór hunne rijpheid, zijn een slecht voorteeken voor later. Als hij loopt, is 't dat hij het noodig heeft om te groeien; als hij niet werkt, is het dat hij nog niet begrijpt dat werken een plicht is en als hij somwijlen dag en nacht, eene halve week uitblijft, is het dat hij niet beseft hoeveel verdriet hij ons aandoet, want hij heeft een goed hart en hij ziet ons gaarne.
Klaas schudde het hoofd en antwoordde niet, en als hij sliep, lag Soetkin te weenen. En 's morgens, als zij dacht dat haar

En al het wijwater kletste op de tent... (Blz. 36.) 3
zoon wellicht ziek aan den hoek van een weg lag, ging zij op den dorpel der deure zien of hij niet afkwam; maar zij zag hem niet en zij zette zich aan 't venster, om van daar naar de straat te kijken. En meer dan eens bonsde heur hart in heure borst, als zij den lichten stap van een kind hoorde; maar de kleine ging voorbij en zij zag dat het Uilenspiegel niet was, en toen weende zij weer, de arme moeder.
Doch Uilenspiegel was, met zijne deugnieten van kameraden, te Brugge op de Zaterdagmarkt.
Daar zaten schoenmakers en schoenlappers met hunne kramen bijeen, kleermakers met hoozen, wambuizen, sercoten, Antwerpsche meezenvangers, die 's nachts met een uil ter vogelvangst gingen; daar waren kooplui in wild, hondendieven, verkoopers van kattevellen voor handschoenen, borstlappen, en kragen, en koopers uit alle standen, burgers en werklieden, knechten en dienstmaagden, broodmeesters, botteliers, poeliers en keukenmeiden; en allen, kooplieden en koopers, hoorde men vragen en bieden, de waren prijzen en afkeuren.
In een hoek van de markt stond eene schoone lijnwaden tente, op vier palen opgericht. Aan den ingang van die tente stond een boer uit 't land van Aalst, - met twee monniken bij zich om het geld te ontvangen, - die voor een oortje aan de nieuwsgierigen een stuk gebeente liet zien, dat aan de heilige Maria van Egypte toebehoord had. Met schorre, heesche stemme, roemde hij de verdiensten der gelukzalige; in zijne ballade vergat hij zelfs niet te zeggen hoe ze eens, bij gebreke aan geld, een jongen veerman, die haar overgezet had, betaalde met schoone munt der nature, om niet te moeten zondigen tegen Gods verbod, het loon der werklieden achter te houden.
En de twee monniken knikten om te bevestigen dat de boer waarheid sprak. Naast hen stond een groot, dik wijf, met een rood gezicht, als Astarte zoo wulpsch, een oorverdoovend gerucht te maken op een doedelzak, terwijl een lieftallig meisje
naast haar zong als een nachtegaaltje, doch niemand lette op haar. Aan den ingang van de tent, wiegelde eene kuip die met de beide ooren aan twee staken vastgemaakt was. Het wijf vertelde in eene ballade, dat het eene kuip wijwater was, die van Rome kwam, en weer knikten de monniken om hare woorden te staven. Bij 't aanschouwen van die kuip, werd Uilenspiegel in diepe overweging gedompeld.
Aan een van de palen der tente lag een ezel vast, die zeker meer hooi dan haver kreeg: met hangenden kop zag hij ten gronde, zonder de minste hoop er distels te zien opschieten.
- Jongens, zei Uilenspiegel, naar het wijf, de twee paters en 't weemoedige grauwtje wijzend, mits de meesters zoo goed zingen, moet de ezel ook dansen.
Op die woorden liep hij naar eenen winkel, en hij kwam terug met zes duiten peper; toen hief hij den staart van den ezel op, en wreef hij de peper er onder.
Als het beest de peper gevoelde, keek het omme, om te zien van waar die ongewone warmte kwam. Het meende dat het den vuurduivel achter de hielen had en wilde loopen om hem te ontvlieden; vervolgens begon het te bulken en te stampen en uit al zijne kracht aan den paal te trekken. Bij den eersten schok ging de kuip los die tusschen de twee staken hing, en al het wijwater kletste op de tent en op die er in waren. Weldra stortte de barak in en de aanwezigen, die naar de geschiedenis der heilige luisterden, waren onder het natte deken begraven. En Uilenspiegel en zijne vrienden hoorden van onder het doek een groot lawaai van gekerm en weeklachten komen, want de geloovigen die binnen waren, beschuldigden wederkeerig malkander de kuip omver getrokken te hebben; zij maakten zich kwaad en deelden elkander met groote menigte vuistslagen toe. Men zag het doek van de tente onder de woede der vechters op en neder gaan. Telkens dat Uilenspiegel op het doek een ronden vorm zag uitkomen, stak hij er in met eene naalde. Dan hoorde hij grootere kreten en grootere uitdeeling van vuistslagen onder de tente.
En hij had veel pleizier, maar hij had er nog meer, als hij den ezel zag wegloopen met doek, met kuip en met palen achter zich, terwijl de baas van de tente, zijn wijf en zijn kind zich vastklampten aan den sleep van den ezel. Nu kon het dier niet meer voort, het begon weer erbarmlijk te bulken en te stampen, en het hield maar op om onder zijn steert te zien of het vuur dat er brandde, niet haast gebluscht was.
Maar de kwezelaars vochten steeds voort; zonder aan hen te denken, scharrelden de monniken het geld op dat uit de schaal gevallen was, en Uilenspiegel hielp hen devotelijk mee, doch niet zonder profijt.