terug  begin  verderprepost

XVIII

Terwijl de deugniet van Uilenspiegel opwies in vroolijke snaakschheid, bracht het ziekelijke kind van den grooten keizer zijne dagen in droefgeestigheid door. Edelvrouwen en heeren zagen het, door kamers en gangen van 't paleis van Valladolid, armzalig zijn schraal lichaam en zijne waggelende beentjes sleepen, alsof het moeite had om de zwaarte te dragen van zijn groot hoofd, dat met stekelig blond haar bedekt was.

Steeds zocht hij de donkere gangen op en daar bleef hij uren lang zitten, met de beenen uitgestrekt. En als een dienstknecht er uit onachtzaamheid op trapte, liet hij hem geeselen, en als hij hem hoorde huilen van pijn, deed het hem genoegen, maar hij lachte niet.

's Anderen daags ging hij toen elders dezelfde strikken spannen: met de beenen uitgestrekt, zette hij zich wederom neer in een donkeren gang. Edelvrouwen, heeren en schildknapen die er door liepen of gingen, stieten tegen hem, vielen en bezeerden zich. Weer deed hem dat genoegen, maar hij lachte niet.

En als wanneer er een onder was die niet viel, huilde hij alsof hij bezeerd was en smaakte hij innige vreugde, als hij de ontsteltenis zag die hij verwekt had, maar hij lachte niet.

[p. 38]

Zijne Heilige Majesteit, verwittigd geweest zijnde van die wijze van doen, beval dat men geen acht op den infant moest geven, er bijvoegende dat hij zijne beenen bij zich moest houden, als hij niet wilde dat men er op trapte.

Dat mishaagde Philips, doch hij zei er niets van, en men zag hem niet meer, tenzij soms in den hof wanneer hij, bij helderen zomerdag, zijn schraal lichaampje in de zonne ging warmen.

Keizer Karel, van den oorlog terugkomende, zag hem zoo vol somberheid zitten.

- Mijn zoon, zegde hij, hoe zeer verschilt gij van mij! Op uwen ouderdom klom ik op de boomen achter de eekhoorntjes; met eene koord liet ik mij langs eene steile rots glijden om de arendsnesten te ledigen. Ik kon er het leven bij inschieten, maar mijne beenderen werden er zooveel te sterker om. Op de jacht vluchtten de wilde dieren weg, als ze mij zagen aankomen met mijn vuurroer.

- Ha! zuchtte de infant, 'k heb buikpijn, heer vader.

- Paraxete-wijn is een uitstekend middel tegen de buikpijn, sprak Karel.

- Dien wijn lust ik niet; 'k heb hoofdpijn, heer vader.

- Mijn zoon, sprak Karel, gij moet loopen, springen, stoeien, zooals de andere kinderen van uwen ouderdom.

- Mijne beenen zijn stijf, heer vader.

- Hoe kan het anders, sprak Karel, als gij die niet meerder bezigt dan als zij van hout waren? Wacht, ik ga U vastbinden op een vurig paard.

De infant weende.

- Bind mij niet vast, sprak hij, ik heb pijn aan de lenden, heer vader.

- Maar, sprak Karel, hebt gij dan overal pijn?

- Het zou niets zijn, als men mij gerust liet, zegde de infant.

- Meent gij soms, hernam de keizer ongeduldig, uw koninklijk leven door te brengen met te droomen als de poëten?

[p. 39]

Laat aan hen, om hunne perkamenten met inkt te bevuilen, stilte, eenzaamheid en bespiegeling over; gij, een zoon van het zweerd, moet het warm bloed, het oog van den arend, den list van den vos, de kracht van Hercules hebben. Waarom maakt gij het teeken des kruises? Verduiveld! een leeuwenwelp mag geen paternosterknauwer zijn!

- Het Angelus, heer vader, antwoordde de infant.

prepostterug  begin  verder