Mei en Juni waren dat jaar oprecht de maanden van de bloemen. Nooit zag men, in Vlaanderen, zulke welriekende hagedoornen, in de hovingen zooveel rozen, jasmijnen en kamperfoelies. Als de Westenwind de geuren van dat bloemenland naar 't Oosten dreef, stak iedereen, en meest nog in Antwerpen, verrukt den neus naar omhoog, zeggende:
- Riekt gij dien goeden wind die uit Vlaanderen waait?
Onverpoosd waren de vlijtige bijen dan ook bezig met honig uit de bloemen te zuigen, was te maken, eieren te leggen in de korven die te klein waren om hare zwermen te huizen. Prachtige muziek van den arbeid onder den blauwen hemel, die schitterend den rijken bodem overdekte!
Men maakte rieten, strooien, wisschen bijenkorven. Mandenmakers, kuipers, stroovlechters, wrochten van den vroegen morgen. En de timmerlieden konden bijlange het noodige werk niet afdoen.
De zwermen bestonden uit dertig duizend werkbijen en twee duizend hommels. De honigraten waren zoo lekker en van zulke zeldzame hoedanigheid, dat de deken van Damme er elf zond aan keizer Karel, als dankzegging omdat hij door zijne ordonnantiën de Heilige Inquisitie weder ingevoerd had. Philips at de honigraten op, maar hij had er geen genot van.
Schurken, schooiers, landloopers en heel die bende luiaards die vadsig langs de wegen slenteren en zich liever laten opknoopen dan zich aan eenigerhande bezigheid over te leveren,
kwamen van heinde en verre aanloopen, verlekkerd door den honigreuk. En 's nachts zwierven zij met groote menigte door velden en hoven.
Klaas had korven gemaakt om er bijenzwermen heen te lokken; eenige korven waren gevuld en andere nog ledig. Klaas bleef heel den nacht waken om op zijn goed te letten. Als hij moede was, zegde hij aan Uilenspiegel zijne plaats in te nemen. Deze dede het gewillig.
Nu, op een nacht dat het koel was, ging Uilenspiegel in eenen ledigen korf kruipen en heel ineengedrongen, keek hij door de gaten die er van boven in waren.
Hij was op 't punt van in te sluimeren, als hij de haag hoorde kraken en de stemmen hoorde van twee manslieden, die hij voor dieven aanzag. Hij keek door een der gaten van den bijenkorf en zag dat de beide mannen lang van haar en van baard waren, hoewel een lange baard te dien tijde teeken van adeldom was.
Zij gingen van korf tot korf, en zoo kwamen zij aan den zijne en, hem optillende, spraken zij:
- Deze hier is de zwaarste.
Vervolgens staken zij er hunne stokken onder en droegen hem mee.
Uilenspiegel vond het geenszins aangenaam, aldus in een bijenkorf vervoerd te worden. De nacht was helder en de twee dieven spraken geen woord. Alle vijftig stappen bleven zij staan om adem te scheppen en zich vervolgens weder op weg te begeven. Die welke vóór ging, gromde vol kwaadheid omdat de last zoo zwaar woog, en die van achter kermde weemoedig. Want in de wereld zijn twee soorten van luiaards, die welke kwaad zijn op den arbeid en degenen die jammeren als er te werken valt.
Uilenspiegel, die niets te doen had, trok den dief die vóór ging bij zijn haar, en den andere bij zijnen baard, zoodat de kwade op den duur den janker toeschreeuwde:
- Als gij niet ophoudt met aan mijn haar te trekken, geef ik U een smete op den kop dat hij in uwe borstkas valt en gij
door uwe ribben kunt zien, als een dief door de traliën van het Steen.
- Dat doe ik niet, vriend, jammerde de janker, gij zijt het die aan mijnen baard trekt.
De kwade antwoordde:
- Dank U voor 't pleizier van ongedierte te zoeken in een schurftigen baard!
- Mijnheer, sprak de janker, doe den korf toch niet schommelen, mijne armen houden het niet langer uit.
- Hewel, ik zal ze U van het lijf trekken, antwoordde de kwade.
En hij trok zijnen riem over zijn hoofd, zette den korf ten gronde, en sprong op zijn makker. En zij begonnen te vechten, terwijl de eene vloekte en de andere om genade smeekte.
Als Uilenspiegel de slagen hoorde vallen, kroop hij uit den korf, sleepte hem in een boschje, waar hij hem terugvinden kon, en keerde toen weer huiswaarts.
En zoo is het dat schrandere lieden hun voordeel halen uit twist en krakeel.