terug  begin  verderprepost

XX

Als Uilenspiegel vijftien jaar oud was, bouwde hij te Damme, met vier palen, eene kleine tent op, en hij riep dat een iegelijk er zijn tegenwoordig en toekomstig gezicht konde afgebeeld zien, in eene schoone lijste van hooi.

Telkens als een hoovaardig en opgeblazen rechtsgeleerde binnenkwam, stak Uilenspiegel zijn hoofd door de lijst en, het gezicht van een ouden aap nabootsende, sprak hij:

- Een oude snuit kan rotten, maar geenszins bloeien; ben ik uw spiegel niet, heere doktor in rechten?

Als Uilenspiegel voor klant een kloeken soldaat had, liet hij in stee van zijn gezicht, in 't midden van de lijst, een schotel vleesch en brood zien, en sprak hij:

- De oorlog zal van U stoverij maken; wat geeft gij mij om de voorzegging, o lieveling van sakers en slangen?

[p. 42]

Als een grijze, afgeleefde ouderling aan Uilenspiegel zijn poezelig wijf bracht, verborg zich nogmaals de snaak, en toonde hij in de lijste een boompje, aan welks takken messen, koffertjes, kammen, schrijftafeltjes, alles van hoorn hingen, en toen sprak hij:

- Van waar komen die snuisterijen, sher? is het niet van den horenboom die groeit in den boomgaard der oude manslieden? Wie zal nu nog zeggen dat horendragers van geenerlei nut zijn in de samenleving?

En Uilenspiegel toonde in de lijste, nevens den boom, zijn jeugdig gezicht.

Als de ouderling hem hoorde, ontstak hij in hevige woede, doch zijn vrouwtje stilde hem met de hand, en glimlachend vroeg zij aan Uilenspiegel:

- En mijn spiegel, wilt ge hem mij toonen?

- Kom nader, was 't antwoord.

Zij dede het. Toen kuste hij haar waar hij kon.

- Uw spiegel, sprak hij, is bloeiende jeugd in trotschheid gehuld.

En de schoone ging heen, en vergat niet hem een paar gulden te geven.

Aan een dikken, vetten monnik die hem vroeg om zijn tegenwoordig en toekomstig gezicht te zien, antwoordde Uilenspiegel:

- Gij zijt eene hespenkast, daarom wordt gij bierkelder, mits het zout noodt tot drinken, niet waar, dikzak? Geef mij een oortje om de waarheid te zeggen.

- Mijn zoon, sprak de monnik, nooit dragen wij geld op ons.

- Dan is het, antwoordde Uilenspiegel, dat het geld U op zich draagt, want mij is 't bekend dat gij het steekt tusschen twee zolen, onder den voet. Geef mij uw riemschoen.

Maar de monnik hernam:

- Mijn zoon, 't is het goed van het klooster. Maar als 't moet zijn, zal ik U toch twee oortjes geven voor uwe moeite.

[p. 43]

De monnik gaf ze en Uilenspiegel nam ze beleefdelijk aan.

Hij toonde dan ook hun spiegel aan die van Damme, van Brugge, van Blankenberge, tot zelfs van Oostende.

En in stee van te zeggen in Vlaamsche sprake: ‘Ik ben Ulieden spiegel’, zei hij kortweg: ‘Ik ben Ulen spiegel’, gelijk tegenwoordig nog gezegd wordt in Oost- en West-Vlaanderen.

En zoo kwam hem zijn bijnaam van Uilenspiegel.

prepostterug  begin  verder