De keizer, die van den oorlog terugkwam, vroeg waarom zijn zoon Philips hem niet was komen groeten.
De aartsbisschop-leermeester van den infant zegde dat hij niet gewild had, dat hij slechts van boeken en eenzaamheid hielde.
De keizer vroeg waar hij op dat oogenblik was.
De leermeester sprak dat men hem overal zoeken moest, waar het duister was. Zoo deden zij.
Als zij door menige zalen gegaan waren, kwamen zij ten slotte in een hok zonder vloer, dat alleen door een smal venster licht kreeg. Daar zagen zij in den grond eenen staak steken, waaraan bij zijn middel een jong en lief aapje vastgemaakt lag, een diertje dat Zijne Hoogheid uit Indië gekregen had om er mede
te spelen. Onderaan den staak lagen nog rookende brandstokken en in het hok hing een vuile reuk van haar dat verkoold was.
Het diertje was levend verbrand en zoo verschrikkelijk had het geleden, dat zijn lichaampje niet geleek op dat van een beest dat geleefd had, maar op een stuk van een gewrongen en gerimpelden wortel. En op zijn mond die nog open was als om genade te vragen, stond een bloedig schuim, en 't water van zijne tranen had zijn gezichtje bevochtigd.
- Wie heeft dat gedaan? vroeg de keizer.
De leermeester dorst niet antwoorden en beiden bleven sprakeloos, droef en gramstorig staan.
In die stilte hoorden zij schielijk een lichten kuch, die kwam uit den donkersten hoek van het kot. Zijne Majesteit zich omkeerende, zag er den infant Philips, heel in 't zwart gekleed, en bezig met zuigen aan eenen citroen.
- Don Philips, sprak hij, kom hier om mij te begroeten.
Zonder zich te verroeren, bekeek de infant hem met zijne vreesachtige oogen, waar geenerlei liefde in blonk.
- Zijt gij het, vroeg de keizer, die dat diertje verbrand hebt?
De infant boog het hoofd.
- Waart gij wreedaardig genoeg om het te bedrijven, wees dan vrank genoeg om het te bekennen.
De infant zweeg.
Zijne Majesteit trok hem den citroen uit de handen, hij ging zijn zoon - die piste van schrik - een rammeling geven, als de aartsbisschop hem tegenhield en hem stille toefluisterde:
- Zijne Hoogheid zal later een groote ketterverbrander worden.
De keizer glimlachte en beiden gingen hene, en lieten den infant met zijn aapje alleene.
Maar daar waren nog anderen, die geen aapjes waren en toch in de vlammen verbrandden.