terug  begin  verderprepost
[p. 46]

XXIII

November was gekomen, de kouwelijke maand waarin de borstlijders naar hartelust hoesten en fluimen. 't Is ook de maand waarin de knapen bij benden op de rapenvelden neerstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot meerder gramschap van de boeren, die hen tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.

Nu, op een avond dat Uilenspiegel van een rooftocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van de haag, dicht bij hem, een klagend gekerm. Hij bukte zich en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.

- Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?

Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen, te koesteren.

Tehuis komende, sprak hij:

- Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?

- Hem verbinden, antwoordde Klaas.

Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje, een rosse mops, eene wond op den rug had. Soetkin waschte ze, lei er balsem op en bond er een doek rond. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in 't hare wou hebben, mits, sprak zij, Uilenspiegel in zijn bed draaide en woelde en zij vreesde dat hij, al slapende, het diertje zou zeer doen.

Maar Uilenspiegel dede zijne goesting; hij verzorgde zijn hond dat de gekwetste weldra liep zooals zijne natuurgenooten, met hondsche verwaandheid.

En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke gaarne dwalende honden opnam; Bibulus, omdat de hond eene

[p. 47]

dronkemansliefde voor bruinbier en kuite had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in ratten- en mollengaten aan 't snuffelen was.

prepostterug  begin  verder