terug  begin  verderprepost
[p. 53]

XXVI

De schoone bevallige vrouwe verliet eens Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.

Als zij, met haren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een vijftienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut, op eenen doedelzak spelen. Recht over hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, mits die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnelijk meisje dat bij elk erbarmlijk gehuil van den hond, in een gulhartigen lach schoot.

Als de schoone dame en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel die blies, Nele die lachte en Titus Bibulus Snuffius die jankte.

- Stoute jongen, sprak de dame tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden met dien armen hond zoo te doen huilen!

Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijn doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.

De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:

- Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!

Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, ter wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep naar hem en dreigde hem met de vuist, maar Bibulus Snuffius vloog op hem en beet hem in het been; de bottelier viel van schrik ten gronde en schreeuwde om hulp.

De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:

- Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?

Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.

[p. 54]

- Maar waarom beziet ge mij zoo strak? vroeg zij.

Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor haar in bewondering stond.

- Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?

Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.

- Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele gaat?

- Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.

- Wilt ge mij leiden? vroeg de dame.

Maar Uilenspiegel bleef zitten, en bekeek haar steeds voort. En zij, als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf hem gaarne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.

- Waar gaat gij? vroeg zij.

- Mijne beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.

- Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.

Toen zette zij zich neer op de bank, nabij den dorpel van de deure; de bottelier dede zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.

Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.

- Gaat gij toch mee met die schoone dame? vroeg Nele hem.

- Ik ben dadelijk terug.

- Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.

- Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.

- Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?

Nele antwoordde haar niet, maar twee dikke tranen welden in hare oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edelvrouwe.

[p. 55]

Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getoomd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel die de hakkenei van de dame bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.

Een geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoë-reuk die opsteeg uit de kleeren van de dame, en bekeek hij, ter sluiks, haar schoon paardebeslag, hare zeldzame kleinooden en juweelen, en ook haar zachtaardig uitzicht, hare schitterende oogen, hare bloote borst en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne blonk.

- Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.

Hij antwoordde niet.

- 't Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want 'k had U gaarne met eene boodschap belast.

- Welke? vroeg Uilenspiegel.

- Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan eenen edelman, half in 't zwart, half in 't rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, ten tien uren van den nacht, naar mijn slot, langs de sluippoort.

- Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.

- Waarom niet? vroeg de dame.

- Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.

De dame sprak toen:

- Maar waarom toch maakt gij U driftig als een haantje, en wilt gij niet gaan?

- Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.

- Maar als ik U een gulden gaf?

- Neen! sprak hij.

- Een dukaat?

- Neen.

[p. 56]

- Een karolus?

- Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien met pleizier hooren rammelen in moeder heure tassche.

De dame glimlachte; vervolgens riep zij eensklaps uit:

- Ik heb mijne beugeltassche verloren, eene schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen op geborduurd. Te Damme had ik ze nog.

Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de dame:

- Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij ze nimmermeer terug.

- En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.

- Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.

En hij keerde op zijne stappen terug.

Middag sloeg de klok, 't was stikkend heet en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch dede zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast haar.

Zij bezag hem en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was van zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur ten gronde vallen, zij trok hem bij haar met zijn hoofd op heuren blooten boezem en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde aanschouwd hadde hem te zeggen dat hij elders een hoofdkussen moest zoeken.

Maar de bottelier kwam terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.

- Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, als ik van mijn paard kwam, in 't vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele, en zeg mij uw naam.

[p. 57]

- Mijn patroon, antwoordde hij, is de heilige Thijlbert, naam die bediedt vlug te been om te loopen waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U in mijn spiegel bezien wilt, zult gij overtuigd zijn dat er, gansch Vlaanderenland door, geene schitterender bloem van schoonheid bestaat, dan uwe geurige bekoorlijkheid.

De dame bloosde van genoegen en was geenszins verbolgen.

En, gedurende die lange afwezigheid, stortten Soetkin en Nele ziltige tranen.

prepostterug  begin  verder