terug  begin  verderprepost

XXVIII

In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen in het hulpgeld dat haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel zelf. Toch was dat eene groote misdaad, en hij besloot haar in persoon te gaan kastijden.

Want de slagen die eene moeder in 't harte treffen, zijn die van heuren zoon.

Frans met den langen Neus, zijn vijand, dede hem het aanbod over Frankrijk te komen, voor 't kortste. Karel nam het aan, en in stee van gevangen te worden gezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en gevierd. Immer zijn de prinsen bereid elkander te helpen, om 't volk te onderdrukken.

Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig kenmerk van grammoedigheid te geven. De stad Gent, zijne moeder, was zonder vrees of schrik, mits zij dacht dat Karel vergeven zou. Immers, zij had alle recht voor zich.

Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend paarden. Alva was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine ambachten hadden gaarne die kinderlijke intrede belet en de tachtig duizend man van de stad en den bijvang te been gebracht; maar de hoogpoorters verzett'en zich daartegen; want zij vreesden dat het volk de bovenhand zou krijgen. Nochtans hadde de stad Gent aldus haren zoon met zijne vier duizend paarden op de vlucht kunnen drijven. Maar zij beminde hem nog, en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.

Karel ook had haar lief, maar 't was om het geld dat hij van haar in zijne kisten had en nog van haar halen wilde.

[p. 60]

Als hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal krijgswachten en dede hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij, in groote staatsie, de sententie van de stede uit.

De voornaamste poorters moesten voor zijnen troon vergiffenis komen vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan de duurste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten, ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer verbeurde alle welkdanige privileges, rechten, vrijheden, costumen en gebruiken; de toekomst verbindende alsof hij God zelf geweest ware, bepaalde hij voorder dat zijne opvolgers, bij hunne opkomst als landheer, zweren moesten niets anders te zullen naleven dan de bezwaarlijke Karolijnsche concessie, door hem aan de stad verleend.

De abdije van Sint-Baafs dede hij afbreken, om ter plaatse eene vesting te bouwen, van waar hij, op het gemak, de borst zijner moeder met kogels doorboren kon.

Als een slechte zoon, die met ongeduld wacht naar den dood zijner ouderen om te erven, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten en huizen, geschut en oorlogstuig.

En hij vond dat de stad te goed verdedigd was, daarom dede hij den Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke voor perelen van de beeldhouwkunst doorgingen.

En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd tot elkaar:

- Is dat Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons wonderen van en men heeft ons bedrogen.

En die van Gent antwoordden:

- Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.

En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin van de poorten, haalde de keizer steenen voor zijne vesting.

[p. 61]

Hij wilde dat Gent arm wierd, mits zij zich dan, door arbeid, handel noch geld, tegen zijne stoutmoedige inzichten verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in eens en elk jaar nog zes duizend in eeuwigdurende rente. Hij had geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld dede hij zich de schuldbrieven overhandigen, en hij verscheurde ze. En op die manier betaalde hij zijne schuld.

In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, mits hij daar geene melk meer vond.

Toen bezag hij Roelandt, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij den poorter opknoopen die storm geluid had om de stad ten strijde te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij met Roelandt, met de tong zijner moeder, waarmee zij tot Vlaanderen sprak, met Roelandt, de fiere klokke, die van zelve zeide:

 
Als men my slaet dan is 't brandt
 
Als men my luyd dan is 't storm in Vlaenderland.

Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van 't platteland zeiden dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene nijptang, de tong uit haren mond had gerukt.

prepostterug  begin  verder