Philips was getrouwd met Maria van Portugal, wier bezittingen hij bij de Spaansche krone gevoegd had; van haar had hij don Carlos, den wreedaardigen zot. Maar hij had geene liefde voor zijne vrouw.
De koningin leed ten gevolge van heure kraam. Zij bleef te bed en bij haar waren heure eeredamen, onder dewelke de hertoginne van Alba.
Philips liet heur dikwijls alleen, om ketteren om hals te zien brengen. De edelvrouwen en heeren deden zooals hij. En zoo dede ook de hertoginne van Alva, de edele baker van Maria.
In dien tijd nam de officiaal een Vlaamschen beeldhouwer, Roomsch-Katholiek van geloove die, omdat een monnik hem den overeengekomen prijs voor een houten Lieve-Vrouwebeeld geweigerd had, met zijnen beitel gemeld beeld geschonden had, zeggende dat hij liever zijn werk vernielde, dan het te geven onder den prijs.
Door den monnik als beeldstormer aangeklaagd, werd hij zonder genade op de pijnbank gelegd, en veroordeeld om levend te worden verbrand.
Op de pijnbank had men hem de voetzolen geroosterd en onderwege, van het gevang naar den brandstapel, met het Sanbenito op het hoofd, riep hij gedurig:
- Snijdt mijne voeten af! Snijdt mijne voeten af!
En van verre hoorde Philips die bange kreten, en hij trilde van genoegen, maar hij lachte niet.
De eeredamen lieten koningin Maria alleen om de verbran-
ding te gaan bijwonen, de hertoginne van Alba, die gebleven was, hoorde den Vlaamschen kunstenaar huilen van pijn en liep ook weg, om het schouwspel te zien.
Als Philips, zijne hooge kamerheeren, prinsen, graven, schildknapen en hofdamen daar waren, werd de beeldhouwer met eene lange keten geklonken aan eenen paal, in het midden van eenen haard, gemaakt van rijshout en stroo, die hem langzaam moesten braden als hij zich zoo verre mogelijk van het vuur wilde houden.
Hij was zoo goed als naakt en nieuwsgieriglijk zag men hem beproeven zijne zielskracht tegen de hitte des vuurs te stellen.
En middelerwijl had Maria dorst in heur kraambed. Zij zag een halven meloen op eene schaal liggen. Zich uit heur bedde sleepend, greep zij de vrucht om ze gulzig te verslinden.
Dan deed de kilheid van den meloen de kraamvrouwe zweeten en huiveren. Zij bleef op den vloer liggen, zonder de minste beweging te kunnen maken.
- Ha! sprak zij, 'k zou mij verwarmen, als hier iemand was, om mij in mijn ledikant te brengen.
Toen hoorde zij den armen beeldhouwer schreeuwen:
- Snijdt mijne voeten af!
- Ha! sprak de arme vorstinne, is dat een hond die huilt om mijnen dood te voorspellen?
Op dat oogenblik zag de beeldhouwer rondom zich; doch hij bespeurde niets dan Spaansche, vijandelijke gezichten, en hij dacht aan Vlaanderen, het land der dapperen, en, zijne lange keten achter zich sleepend, stapte hij naar den vuurgloed van stroo en van rijshout. Zich in zijne gansche lengte verheffend en de armen kruisend:
- Ziezoo! riep hij uit, hoe de Vlamingen sterven onder het oog van de Spaansche beulen! Snijdt niet mijne, maar hunne voeten af, opdat ze naar geene nieuwe euveldaden loopen! Leve Vlaanderen! Vlaanderen in der eeuwigheid!

Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den
heksenabbat? (Blz. 87.) 5
En de damen juichten hem toe, riepen om genade, als ze zijne dappere houding zagen.
En de kunstenaar stierf.
Koningin Maria rilde over gansch heur lichaam, hare tanden klapperden van koude en, armen en beenen uitrekkende, kreunde zij:
- Legt mij te bedde, dat ik warm worde.
En zij stierf.
En alzoo, volgens de voorzegging van Katelijne, de goede tooverheks, zaaide Philips overal dood, bloed ende tranen.