terug  begin  verderprepost

XXXII

Op Allerzielendag kwam Uilenspiegel uit Onze-Lieve-Vrouwekerk met eenige deugnieten van zijnen ouderdom. Lamme Goedzak was onder hen gesukkeld, als een lam te midden van de wolven.

Lamme, die alle Zon- en feestdagen van zijne moeder drie oortjes kreeg, trakteerde de jonge snaken.

Hij trok dus met hen in het Roode Schild, bij Jan van Liebeke die dobbelen Kortrijkschen knollaart opbracht.

De drank verhitte hunne hersenen en, wijl zij over kerken en gebeden spraken, uitte Uilenspiegel de meening dat zielmissen alleen voordeel brengen aan de priesters.

Maar er was een Judas in 't gezelschap: hij ging Uilenspiegel als ketter verklikken. En ondanks de tranen van Soetkin en het

[p. 69]

smeeken van Klaas, werd Uilenspiegel gepakt en gevangen gezet. Eene maand en drie dagen bleef hij in eenen kerker opgesloten, zonder iemand te zien. De cipier at de drie kwart van zijn eten op. Intusschentijd dede men onderzoek over zijn gedrag. Er werd alleen bevonden dat hij een meedoogenlooze spotter was, die gedurig met iedereen gekscheerde, maar dat hij nog nooit het minste kwaad gesproken had noch van den Heere God, noch van de Maagd Maria, noch van de heiligen. Weshalve was de sententie dan ook zacht; want men hadde hem kunnen brandmerken of geeselen met schorpioenen.

Ter wille van zijn jeugdigen ouderdom, veroordeelden de rechters hem enkellijk om, in zijn hemde, barrevoets en blootshoofds en met eene waskeers in de hand, achter de priesters te stappen, in 't midden van de eerste processie die moest uitgaan.

Het was O.-L.-H.-Hemelvaart.

Als de processie weder binnentrok, moest hij in 't portaal van Onze-Lieve-Vrouwekerk blijven staan en uitroepen:

- Dank zij Jezus-Christus! Dank zij de eerweerde geestelijken! Hunne gebeden zijn zoet en verkwikkend voor de zielen van 't vagevuur; want elk Ave is een emmer water die haar op den rug valt, en elk Pater eene kuipe.

En het volk aanhoorde hem devotelijk, doch niet zonder lachen.

Op Eersten-Sinksendag, moest hij nogmaals de processie volgen; hij was barrevoets en blootshoofds, in zijn hemde, met eene waskeers in de hand. Bij het binnengaan in 't portaal, met zijne keers eerbiediglijk in de hand, hoewel hij moeite dede om niet in lachen uit te bersten, sprak hij met eene luide en heldere stem:

- Als de gebeden der christelijke menschen veel verlichting brengen aan de zielen van 't vagevuur, geven die van den deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, - een heilig man die alle deugden beoefent, - zulk eene verkwikking aan de smerten des vuurs, dat dit laatste seffens in ijs verandert. Maar de duivelen die het vuur moeten poken, krijgen er geen spier van.

[p. 70]

En weer luisterde het volk devotelijk, doch niet zonder lachen, en de deken glimlachte inwendiglijk.

Voorders werd Uilenspiegel voor drij jaren uit Vlaanderenland gebannen, op voorwaarde van eene bedevaart naar Rome te doen en terug te komen met de pauselijke absolutie.

Klaas moest drij gulden voor deze sententie betalen, maar hij gaf er nog een aan zijn zoon en daarboven zijne pelgrimspij.

Op den dag van 't vertrek was Uilenspiegel 't hert in, als hij Klaas en Soetkin kuste, want ze schreide bitter, de arme moeder. Zij deden hem uitgeleide tot verre op de baan, in gezelschap van meerdere poorters en poorteressen.

Als Klaas terug in de hut trad, sprak hij tot Soetkin:

- Vrouwe, 't is toch wreed een zoo jongen knaap tot zulke strenge straffe te veroordeelen, en dit voor eenige lichtzinnige woorden.

- Gij weent, mijn man, sprak Soetkin; gij bemint hem meerder dan ge wilt laten blijken, want daar berst gij uit in mannelijke snikken, die de tranen des leeuwen zijn.

Maar hij antwoordde niet.

Nele was zich in de schuur gaan verbergen, opdat niemand zien zou dat zij ook weende voor Uilenspiegel. Van verre volgde zij Soetkin en Klaas, de poorters en poorteressen; en als zij heuren vriend alleene zag voortgaan, liep ze naar hem en sprong ze aan zijnen hals:

- Ginder zult gij schoone vrouwen vinden, sprak zij.

- Schoon, misschien, antwoordde Uilenspiegel, maar toch niet frisch gelijk gij, want ze zijn allen verbrand door de zonne.

Lang nog stapten zij samen voort: Uilenspiegel was nadenkend en sprak van tijd tot tijd:

- Die zielmissen zullen ze mij betalen.

- Welke missen en wie zal betalen? vroeg Nele.

Uilenspiegel antwoordde:

- Alle dekenen, pastoors, geestelijken, kosters en andere hooge en lage zotskappen die ons allerhande domheden willen

[p. 71]

doen slikken. Was ik een noeste arbeider geweest, dan was ik voor drij jaar mijn dagloon bestolen, met hunne bedevaart. Maar 't is de arme Klaas die betaalt. Mijne drij jaar zal ik hun honderdvoudig betaald zetten, ik zal hun een zielmis zingen die aan hunne ribben zal hangen.

- Laas! Thijl, wees toch voorzichtig, zij zouden U levend verbranden, antwoordde Nele.

- Ik ben vuurvast, antwoordde Uilenspiegel.

En zij namen afscheid van elkander, zij badend in tranen, hij droefgeestig en grammoedig.

prepostterug  begin  verder