's Anderen daags kwam Uilenspiegel op eene baan die vol volk was. Hij volgde de menigte en vernam weldra dat het dien dag beeweg naar Alsemberg was.
Hij zag er arme oude vrouwen die, voor een gulden en om de zonden van groote damen te boeten, barrevoets achterwaarts gingen. Op den boord van de baan deed meer dan een pelgrim zich te goed aan wafelen en bruinbier, bij geschal van lieren, violen en doedelzakken. En de reuk van allerhande spijzen steeg ten hemel als een zoete wierook van wellust.
Maar daar waren ook andere pelgrims die er gemeen, ellendig uitzagen, die hadden zes stuivers van de Kerk gekregen, om achterwaarts den beeweg te doen.
Een kaalhoofdig manneken, met opengesperde oogen, volgde hen, insgelijks achterwaarts springend en onze-vaders zeggend.
Uilenspiegel, die wilde weten waarom hij aldus de kreeften nadede, ging voor hem staan en sprong glimlachend lijk hij. Lieren, pijpen, violen en doedelzakken, alsmede het geschreeuw der pelgrims, waren de muziek van dien dans.
- Zeg eens, Jan van den Duivel, sprak Uilenspiegel, is het om zeker te zijn van te vallen dat gij averechts gaat?
De man antwoordde niet en ging voort met vader-onzen te knauwen.
- Of is het om de boomen te tellen, vervolgde Uilenspiegel, en misschien ook de bladeren er bij?
De man, die een Credo zei, dede Uilenspiegel teeken dat hij zwijgen moest.
- Of, sprak deze, altijd voor hem springend en zijne gebaren nabootsend, zijt gij misschien eensklaps zot geworden, dat gij loopt lijk de kreeften? Maar die van een zot een verstandig antwoord verwacht, is zelf niet wel wijs. Niet waar, mijnheer de kletskop?

- Is het mijne schuld, sprak zij, als ik onvruchtbaar ben? (Blz.
112) 6
Mits de man nog niet antwoordde, ging Uilenspiegel voort met dansen en springen, doch hij maakte daarbij zooveel gerucht met zijne zolen, dat de weg klonk als een houten kist.
- Of zijt gij stom, mijnheer? vroeg Uilenspiegel ten slotte.
- Ave Maria, sprak de man, gratiâ plena et benedictus fructus ventris tui Jesu.
- Of misschien doof? zei Uilenspiegel. Dat gaan wij dadelijk zien: men zegt dat dooven vleierij noch beleediging hooren. Laat zien of de trommel van uwe ooren van vel of van staal is: Meent gij, lanteerne zonder keers, mislukte voetganger, dat gij op een mensch gelijkt? Ge kunt wachten tot dat wij van vodden gemaakt zijn. Zag men ooit zulke gele tronie, zulk een kletshoofd, elders dan op een galgeveld? Zijt gij in uw leven nooit gehangen geweest?
En Uilenspiegel danste steeds voort, en de man, die kwaad wierd, stapte grammoedig achterwaarts en knauwde zijn vader-onzen met heimelijke kwaadheid.
- Of misschien, sprak Uilenspiegel, verstaat gij maar het Hoogvlaamsch, daarom ga ik U in 't Platvlaamsch aanspreken: Zijt gij geen gulzigaard, dan zijt gij een dronkaard; zijt gij geen dronkaard, dan zijt gij ergens verstopt; zijt gij niet verstopt, dan hebt gij den afgang; zijt gij geen hoerenlooper, dan zijt gij gesneden, en als er op de duizend millioen mannen op de aarde maar één horendrager was, dan zoudt gij het zijn...
Op die rede, viel Uilenspiegel op zijn achterste, met de beenen omhoog, want de man had hem zulk een vuistslag op den neus toegediend dat het vuur hem uit de oogen sprong. Vervolgens liet de man zich listiglijk op hem vallen en sloeg hij hem overal, dat de slagen als hagelsteenen op het magere lichaam van Uilenspiegel vielen. En de stok van dezen rolde mede ten gronde.
- Dat zal U leeren, sprak de man, eerlijke menschen kwellen die op bedevaart gaan. Want - gij moogt het wel weten - ik ga ook naar Alsemberg, volgens oudsher gebruik, om
Onze-Lieve-Vrouwe te bidden, een kind te willen doen afkomen, dat mijne vrouw ontving terwijl ik op reize was. Om zulk eene groote genade te verkrijgen, moet men, zonder te spreken, achterwaarts loopen en dansen van den twintigsten stap voorbij zijn huis tot aan de trappen van de kerk. Laas! nu moet ik heel opnieuw beginnen.
Uilenspiegel, die zijn stok opgeraapt had, sprak:
- Ik zal U helpen, deugniet, die Onze-Lieve-Vrouwe wilt gebruiken om de kinderen in den buik hunner moeder te vermoorden.
En hij begon den leelijken horendrager zoo deerlijk te slaan, dat hij hem voor dood op den weg liet.
Nog altijd stegen het gehuil van de pelgrims en het geluid van pijpen, lieren, violen en doedelzakken omhoog, alsmede de geurige wierook van gekook en gebraad.