terug  begin  verderprepost
[p. 85]

XXXVIII

In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze niet genezen. Jan beschuldigde heur van hekserij en verklaarde dat zij het dier betooverd had, mits zij, terwijl zij het de geneeskruiden gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in eene duivelsche tale, want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.

Gemelde Jan Beloen voegde er bij dat hij gebuur was van Speelman, wiens os, schapen en verken zij genezen had en, als zij zijne koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die jaloersch was omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder opbrachten dan de zijne - van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter Meulemeester, een man van goed gedrag en zeden, en ook van Jan Beloen, die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooverheks, en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne gevangen en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd tot dat zij bekentenis dede van hare misdaden.

Zij werd ondervraagd door een schout die altijd grammoedig was, want heel den dag door dronk hij brandewijn. Voor hem en voor die van de Vierschaar dede hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.

De beul ontkleedde haar tot op het vel, toen zag hij overal of zij geenerlei hekserij verborgen hielde.

Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen zegde zij:

- Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid aan die mannen niet hoeve te toonen.

Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in heure keel, met zulke groote hoeveelheid, dat zij

[p. 86]

gansch opgeblazen scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.

De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond; maar Katelijne gaf het allemaal over.

Op het oordeel van den heelmeester werd zij toen losgemaakt. Zij sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen dat het heet water haar verbrand had. Als de schout zag dat zij van de eerste foltering bekomen was, sprak hij tot haar:

- Beken dat gij tooverheks zijt en dat gij de koe betooverd hebt.

- Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik dede nog liever leed aan mij zelve dan aan hen, mits zij zich niet verdedigen kunnen. Om de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt die ik moest.

Maar de schout sprak:

- Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.

- Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor U en in uwe macht; en toch durf ik zeggen dat een dier, evenals een mensch, van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en heelmeesteren. En bij Jezus-Christus die voor onze zonden op het kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb, doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.

Woedend sprak toen de schout:

- Die teef van den duivel zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op eene andere pijnbank!

En daarna dronk hij een groot glas brandewijn uit.

De beul dede Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist, die op pikkels stond. Dat deksel had den vorm van een dak en sneed lijk een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was toen in November.

Katelijne werd op de doodkist en op eene scherpe houten

[p. 87]

pinne gezet, en men dede haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist en de scherpe pinne in haar vleesch voelde dringen, en de hitte van 't vuur het leder van de schoenen dede ineenkrimpen, riep zij uit:

- Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?

- Breng haar dichter bij het vuur, sprak de schout.

Toen ondervroeg hij Katelijne.

- Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht op den boom, het kind in den buik zijner moeder sterven? Hoe dikwijls zaaidet gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?

Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare handen als om ‘neen’ te zeggen. Toen zegde de schout:

- Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.

Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:

- Bid Satan dat hij U verfrissching geve.

Met een gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen die rookten, ten gevolge van de hitte des vuurs.

- Bid Satan dat hij ze U uitdoe, sprak de schout.

Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard; hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet Katelijne alleene bij 't vuur, in de folterkamer.

Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:

- Ik geloof dat zij dood is.

De schout beval den beul Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen uit te doen. Hij moest ze vaneen snijden en Katelijnes voeten waren heel rood en bloedden.

En de schout, die aan zijnen maaltijd dacht, uitte geen woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten

[p. 88]

gronde zonder zich te kunnen oprichten, ondanks hare krachtsinspanning; zij sprak tot den schout:

- Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is de echtgenoot.

Vervolgens, mits de schout wilde spreken, zegde zij hem:

- Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel die in den hemel de hertkloppingen der rechtveerdigen optelt. Waarom komt gij zoo spa? Viermaal drie is een heilig getal, het doodt de ellendelingen die mij willen vervolgen.

De schout sprak:

- Zij ontvangt den duivel in heur bedde.

- Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak de schrijver.

Katelijne werd terug naar 't gevang gebracht. Drie dagen nadien kwam de schepenkamer in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging, werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.

De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van Damme alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.

Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot het volk:

- De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooverheks is, zal heur haar verbrand worden, voorders zal zij twintig gouden karolussen boete betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme, op verbeurte van een lid.

En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.

De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren hoofd eene pruik van werk en stak die in brand.

[p. 89]

En het werk brandde lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.

Eindelijk werd zij losgemaakt en op eene kar buiten het grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.

prepostterug  begin  verder