terug  begin  verderprepost

XXXIX

Terwijl Uilenspiegel te 's Hertogenbosch in Braband was, wilden de heeren van de stad hem tot hunnen nar benoemen, maar die weerdigheid weigerde hij, zeggende: ‘Reizende pelgrims mogen zich nergens nederslaan, hun verblijf is de groote baan’.

Te zelfden tijde kwam Philips, die koning van Engeland was, zijne toekomstige erfstaten Vlaanderen, Braband, Henegouwen, Holland en Zeeland bezoeken. Hij was toen op zijn negen en twintigste jaar; in zijne grijze oogen blonken bittere droefgeestigheid, woeste geveinsdheid en wreedaardige vastberadenheid. Koud was zijn aangezicht, stijf zijn hoofd met vaalrood haar, alsmede zijn mager lichaam en zijne schrale beenen. Langzaam en slijmerig sprak hij, alsof hij wolle in den mond had.

Te midden van tornooien, steekspelen en feesten, bezocht hij opvolgenlijk het vroolijke hertogdom Braband, het rijke graafschap Vlaanderen en zijne andere heerlijkheden. Overal beloofde hij onder eede de privileges te zullen eerbiedigen; maar als hij te Brussel op 't Evangelie zwoor de Brabandsche gouden bul in stand te zullen houden, trok zijne hand zoo danig te zamen dat men hem het heilige boek moest afnemen.

Hij ging naar Antwerpen, waar men drie en twintig zegebogen oprichtte om hem te ontvangen. De stad gaf tweehonderd zeven en tachtig duizend gulden uit om die bogen te betalen, alsmede voor de kleedij van achttien honderd negen en zeventig kooplieden, allen in karmozijnpanne, en voor de rijke livrei van vierhonderd zestien lakeien en den schitterenden zijden

[p. 90]

dos van vier duizend poorters, mede allen gelijk gekleed. Menigvuldige feesten wierden gegeven door de rhetorika-kamers van bijna al de steden uit de Nederlanden.

Daar werden gezien met hunne narren, de Prins van Liefde, van Doornijk, rijdende op eene zeuge die Astarte hiet; de Koning der Zotten, van Rijsel, die een peerd bestierde bij den steert en achter hetzelve ging; de Prins van Genuchte, van Valencijn, die zich vermaakte met de veesten van zijnen ezel te tellen; de Abt van Vroolijkheid, van Atrecht, die zijn Brusselschen wijn dronk uit eene flesch, in de gedaante van een getijdenboek, en hij vond het boek lustig om lezen; de Abt der Gevulde-Buiken van Ath, die gescheurde kleederen en versleten schoenen aanhad, maar eene worst droeg, met dewelke hij zijn buiksken vulde; de Proost van Onbezonnenheid, jonge knaap die op eene schuwe geit zat en aldus door het volk reed, waardoor hij met groote menigte slagen en stompen ontving; de Abt van den Zilveren-Schotel, van de stad Le Quesnoy die, te peerd, gebaarde zich neder te zetten in eenen schotel, zeggende ‘hoe groot een beest ook is, het toch kan gebraden worden’.

En zij vertoonden allerhande onschuldige gekheden, maar de vorst bleef somber en stuursch.

's Avonds nog kwamen de markgraaf van Antwerpen, de burgemeesteren, hoofdmannen en dekenen bijeen om iets te vinden dat Philips kon doen lachen.

De markgraaf sprak:

- Hebt gij nooit hooren spreken van zeker Pierken Jacobsen, den nar van 's Hertogenbosch, die bekend is voor zijne aardige streken?

- Ja, spraken zij.

- Hewel, zei de markgraaf, laat ons hem ter stede ontbieden, en dat hij iets aardigs vertoone, mits onze nar lood in zijne schoenen heeft.

- Laat ons hem ontbieden! spraken zij.

Als de bode van Antwerpen naar 's Hertogenbosch kwam,

[p. 91]

zegde men hem dat de nar Pierken gebersten was van 't lachen; maar dat er voor eenigen tijd een andere nar in de stad was, met name Uilenspiegel.

De bode ging hem vinden in eene taveerne, waar hij gestoofde mosselen aan 't eten was.

Uilenspiegel was verrukt als hij vernam dat het voor hem was, dat de schepenenbode van Antwerpen kwam, op een schoon peerd van het Veurne-Ambacht en met een ander bij den toom.

Zonder af te stijgen, vroeg de bode hem of hij geene nieuwe poetsen kende om koning Philippus te doen lachen.

- Onder mijn haar liggen er poetsen met de macht, antwoordde Uilenspiegel.

En zij reden weg. De twee peerden liepen spoorslags tot Antwerpen, met den bode en met Uilenspiegel.

Uilenspiegel verscheen voor den markgraaf, den binnen-burgemeester, den buiten-burgemeester en de poorters van Antwerpen.

- Wat schikt gij te doen? vroeg de markgraaf hem.

- In de lucht vliegen, antwoordde Uilenspiegel.

- Hoe gaat gij dat aan boord leggen? vroeg de markgraaf.

- Weet gij wat nog minder weerd is dan eene blaze die berst?

- Neen, sprak de markgraaf.

- 't Is een geheim dat men uitbrengt, was 't antwoord van Uilenspiegel.

Doch de feestherauten reden op hunne schoone peerden met karmozijnpanne getoomd, door de straten, markten en pleinen van de stad met slaande trom en schallenden horen. Op die wijze maakten zij bekend aan de signoorkens en signorinnekens dat Uilenspiegel, de nar van Damme, op de kaai in de lucht ging vliegen, in de aanwezigheid van koning Philippus en zijn eerweerdig, doorluchtig en adellijk gezelschap.

Rechtover de estrade des konings stond een huis, op Italiaan-

[p. 92]

sche wijze gebouwd, langs het dak van hetwelk eene regengoot liep. En op die goot gaf een zoldervenster uit.

Dien dag reed Uilenspiegel door de stad op een ezel. Een voetknecht liep nevens hem. Uilenspiegel had het schoon karmozijnzijden kleed aangedaan, hetwelk de heeren van de stad hem geschonken hadden. Tot hoofddeksel had hij eene kap, mede van karmozijnzijde, aan dewelke men twee ezelsooren zag, met een belleken aan. Hij droeg een halssnoer van koperen penningen, op dewelke het schild van Antwerpen prijkte. Aan de mouwen van zijn kleed zag men aan een puntigen elleboog een paar vergulde bellekens. Hij droeg voorder opgewipte leerskens, met een belleken aan elken top.

Zijn ezel was getoomd met karmozijnzijde en droeg op elke bil het schild van Antwerpen, met fijn goud geborduurd.

De knecht hield met de eene hand den ezel bij den kop en met de andere eenen tak aan denwelken een koebelletje klingelde.

Uilenspiegel liet zijn knecht en zijn ezel op straat en klom in de dakgoot.

Daar dede hij de bellekens klinken en de armen wijd open, alsof hij vliegen ging. Dan bukte hij zich naar koning Philippus, zeggende:

- Ik dacht dat niemand dan ik in Antwerpen zot was, maar ik zie dat de stad vol gekken is. Hadt gij mij gezegd dat gij vliegen gingt, dan had ik U niet geloofd; maar een zot komt U zeggen dat hij het zal doen, en gij gelooft hem! Hoe wilt gij dat ik vliege, mits ik geene vleugelen heb?

De eenen lachten, de anderen vloekten, maar allen zegden:

- 't Is toch de waarheid.

Maar koning Philips bleef stijf als een koning van steen.

En die van de gemeente fluisterden tot elkaar:

- 't Was de moeite niet, al die vermakelijkheden in te richten voor zulk een zuur gezicht.

En zij gaven drij gulden aan Uilenspiegel die heenging, nadat hij hun het karmozijnzijden kleed terug had gegeven.

[p. 93]

- Wat zijn drij gulden in de tassche van een jonkman anders dan een sneeuwbal vóór 't vuur, dan eene volle flesch voor uw aanschijn, drinkebroers? Drij gulden! De bladeren vallen van de boomen, doch er schieten nieuwe op hunne plaats, maar de guldens gaan uit de zakken en keeren er nimmermeer in; de vlinderen verdwijnen met den zomer, en de guldens ook, hoewel zij meer dan twee esterlings wegen.

Dus sprekende, staarde Uilenspiegel naar zijne drij gulden.

- Welk fier gezicht, murmelde hij, heeft, op de zijde van den beeldenaar, die gehelmde, geharnaste keizer Karel, met een zweerd in eene hand en den aardbol in de andere! Door de genade Gods is hij Roomsch keizer, koning van Spanje enz., en hij is wel genadig voor ons, de geharnaste keizer. En hier op de keerzijde, hebt ge een schild, op hetwelk de wapenen van hertog, grave enz. zijner verschillende bezittingen gegraveerd zijn, met die schoone spreuke: Da mihi virtutem contra hostes tuos: ‘Geef mij dapperheid tegen uwe vijanden.’ Hij was dapper, inderdaad, tegen de protestanten die have en goed hebben, om van dezelven te erven. Ha! was ik keizer Karel, ik liet guldens voor een iegelijk slaan; mits iedereen rijk was, zou niemand meer hoeven te werken.

Maar Uilenspiegel had goed zijn schoon geld te bezien, toch verzwond het in 't gerinkel van bottels en pinten.

prepostterug  begin  verder