terug  begin  verderprepost

XL

Terwijl Uilenspiegel zich in karmozijnzijde op de dakgoot vertoonde, had hij Nele niet gezien die hem, onder de menigte, glimlachend toekeek. Zij woonde te Borgerhout, omtrent Antwerpen, en zij dacht dat als een nar vóór koning Philippus moest vliegen, het niemand anders dan haar vriend Uilenspiegel kon zijn.

Terwijl hij droomend op de baan ging, hoorde hij geenszins 't gerucht van haastige stappen achter zich, doch hij voelde de

[p. 94]

twee handjes die men langs achter voor zijne oogen bracht. Aan Nele denkend, vroeg hij:

- Zijt gij het?

- Ja, sprak zij, ik loop achter U sedert dat gij uit de stad zijt. Kom mede met mij.

- Maar, antwoordde hij, waar is Katelijne?

- Gij weet niet, sprak zij, dat zij onrechtveerdig als tooverheks gefolterd werd, vervolgens voor drij jaar uit Damme gebannen, en dat men hare voeten, alsmede werk op het hoofd heeft verbrand. Ik zeg U dit, opdat gij niet zoudt verschieten, want zij is uitzinnig ten gevolge van de groote smerten. Heele nachten beziet ze soms heure voeten, zeggende: ‘Hansken, mijn zoete duivel, zie eens wat zij gedaan hebben met uwe vriendinne. En heure arme voeten gelijken op twee bloedige wonden.’ Toen weent zij en zegt zij: ‘Andere vrouwen hebben een man of een minnaar, ik, ik leef op de wereld als eene weduwe.’ Maar zeg ik haar dat haar Hansken grammoedig zal wezen, als zij van hem tot een vreemde durft spreken. En zij luistert naar mij gedwee als een kind, behalve wanneer zij ziet een os of eene koe, oorzake harer foltering; toen neemt zij ijlings de vlucht, zonder dat iets, barreelen of beken of grachten, haren loop kunne stuiten, tot dat zij eindelijk nederzijgt aan den hoek van een weg of tegen den muur van eene hoeve, waar ik heur ga oprapen om heure bloedende voeten te verbinden. En ik geloof dat zij met het pak werk ook heure hersenen in heur hoofd verbrand hebben.

En beiden waren zeer bedroefd, als zij dachten aan Katelijne.

Zij kwamen bij haar en zagen haar op eene bank in de zonne zitten, tegen den muur van heur huis. Uilenspiegel zegde heur:

- Herkent gij mij?

- Viermaal drie, sprak zij, is een heilig getal, en de dertiende is Thereb. Wie zijt gij, kind dezer booze wereld?

- Ik ben Uilenspiegel, antwoordde hij, de zoon van Klaas en van Soetkin.

[p. 95]

Zij knikte tot teeken dat ze hem herkende; vervolgens riep zij hem bij met den vinger en fluisterde hem in 't oor:

- Als gij hem ziet, wiens kussen koud als de sneeuw zijn, zeg hem van te komen, Uilenspiegel.

Vervolgens heur verbrand haar toonende, sprak zij:

- Ik heb zeer; zij hebben mij mijnen geest afgenomen, maar als hij komt zal hij mijn hoofd vullen, dat nu heel hol is van binnen. Hoort gij? het klinkt als een klokke; 't is mijne ziel die aan de deure klopt om henen te gaan, mits hij brandt in de helle. Als Hansken komt en hij mijn hoofd niet wil vullen, zal ik hem zeggen er een gat in te snijden: de ziel die daar binnen is en klopt om buiten te komen, bedrukt mij zoo deerlijk dat ik het besterven zal. En ik slaap nimmermeer, steeds wacht ik op hem, want hij moet mijn hoofd komen vullen.

En nederzijgend, zuchtte zij diep.

En de boeren die van het veld kwamen om te gaan eten, terwijl de klokke hen kerkewaarts riep, kwamen voorbij Katelijne en spraken:

- Daar is de zottinne.

En zij maakten het teeken des kruises.

En Nele en Uilenspiegel weenden, en Uilenspiegel moest zijne bedevaart voortzetten.

prepostterug  begin  verder