Zijne bedevaart vervolgende, trad hij in dienst bij zekeren Judocus, die men de kwabakker heette, ter wille van zijne zure en norsche tronie. De kwabakker gaf hem voor eten drie oudbakken brooden per week en dede hem slapen in een kot onder het dak, waar het regende en waaide dat het een pleizier was.
Als Uilenspiegel zag dat hij zoo slecht behandeld was, bakte hij zijnen baas verscheidene poetsen en onder andere deze: als men 's morgens heel vroeg bakt, moet men 's nachts het meel builen. Nu op een nacht dat de mane scheen, vroeg Uilenspiegel
eene keers om te zien, en hij kreeg van zijn meester het volgende antwoord:
- Buil het meel in den maneschijn.
Uilenspiegel wilde op de letter gehoorzamen en builde het meel ten gronde, daar waar de mane scheen.
Als de kwabakker 's morgens kwam zien naar Uilenspiegels werk, vond hij hem nog builen.
- Kost het meel dan geen geld meer, sprak hij, dat gij het nu op den grond built?
- Ik heb het meel in den maneschijn gebuild, gelijk gij mij geheeten hebt, antwoordde Uilenspiegel.
De bakker antwoordde:
- Ezel die ge zijt, 't was door eene zeef dat gij het moest doen.
- Ik meende dat de maan eene zeef van nieuwe uitvinding was, antwoordde Uilenspiegel. Maar er zal niet veel verloren gaan, ik zal het meel opscheppen.
- 't Is nu te laat, antwoordde de bakker, om deeg te maken en te bakken.
Uilenspiegel sprak:
- Baas, het deeg van onzen buurman is gereed in den trog, wil ik het gaan nemen?
- Loop naar de galg, antwoordde de kwabakker, en neem wat er te vinden is.
- Ik ga, baas, antwoordde Uilenspiegel.
Hij liep naar het galgeveld en vond er de verdroogde hand van een dief. Hij bracht ze aan den kwabakker en sprak:
- Dit is eene hand van glorie die allen die ze op zich hebben onzichtbaar maken. Wilt gij uwe slechte inborst verbergen?
- Ik ga U aanklagen bij de gemeente, antwoordde de kwabakker, en gij zult zien dat gij het heerenrecht overtreden hebt.
Toen zij getweeën voor den burgemeester waren, wilde de kwabakker al de misdaden van Uilenspiegel beginnen opsommen, als hij zag dat deze de oogen wijd opensperde. Hij werd

Haar hoofd op zijn schouder leunend, vroeg zij hem wie hij was 7
er zoo grammoedig om, dat hij zijne aanklacht onderbrak om te vragen:
- Wel, wat is er?
Uilenspiegel antwoordde:
- Gij hebt mij gezegd dat gij mij zoodanig zwart gingt maken, dat ik zou zien. Wel, ik zie niemendal...
- Uit mijne oogen! riep de bakker.
- Was ik in uw oogen, antwoordde Uilenspiegel, dan zou ik, als gij ze toedeedt, wel langs de neusgaten moeten buiten komen.
De burgemeester, denkende dat men hem voor den zot hield, wilde hen niet langer aanhooren.
Uilenspiegel en de kwabakker kwamen samen buiten, de bakker hief zijn stok op naar hem, doch Uilenspiegel sprong ter zijde en sprak:
- Baas, vermits het met slagen is dat men mijn meel built, neem gij de zemelen: dat is uwe grammoedigheid; ik houd de bloem: dat is mijne vroolijkheid.
En hem daarna eenen neus stellend, ging hij lachend heen.