Uilenspiegel die te Luik op de vischmarkt was, volgde een dikken jongeling die onder den arm een net met allerhande gevogelte droeg en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en snoeken.
Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.
- Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.
- Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?
- Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.
- 't Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene lijster voor Credo, staat verre daarboven.
- Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.
Lamme Goedzak antwoordde:
- 'k Verloor mijn vader, mijne moeder en mijne jonge zuster die mij altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd die maar één oog heeft, maar ervaren is in de kunste van braden en koken.
- Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.
- Ja, sprak Lamme.
En beiden slenterden voort langs de markt.
Eensklaps vroeg Lamme:
- Weet gij waarom dat gij zot zijt?
- Neen, antwoordde Uilenspiegel.
- Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.
- Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood meer heb, willen de ortolanen mij niet meerbezien.
- Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.
Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel eene schoone, lieve, poezele meid, in de zijde gekleed, die langs de markt liep, en Lamme toelonkte.
Een oude man, heur vader, ging achter haar met twee netten, een met visch, het ander met wild.
- Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.
- Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, 't is eene Vlaamsche van Zottegem, zij woont in de rue Vinave-d'Isle, en de buren zeggen dat hare moeder in heure plaats de straat voor de deur keert en dat heur vader hare hemdenen strijkt.
Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:
- Zij heeft mij bezien.
Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Eene eenoogige dienstmaagd kwam opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.
- Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om U te helpen in uw werk?
- Ik zal hem probeeren, sprak zij.
- Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken proeven.
Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene hamp brood op.
Terwijl Uilenspiegel aan 't eten was, knaagde Lamme ook aan eene pens.
- Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziele woont?
- Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.
- In onze maag, antwoordde Lamme, om ze gedurig te doen trekken en steeds de levenskracht in ons lijf te vernieuwen. En welke zijn de beste gezellen? Het zijn allerhande fijne brokken, overgoten met wijn van de Maas.
- Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor eene eenzame ziele.
- Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.
Deze reis gaf Sanginne witte pensen aan Uilenspiegel.
Terwijl deze zich volstopte, zei Lamme, in gedachten verslonden:
- Als ik zal sterven, zal mijne maag met mij sterven, en hier beneden, in het vagevuur, zal men mij zonder eten laten, met eenen slappen en ledigen buik.
- De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.
- Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.
- Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden, en eten gelijk ik.
- Dat woord zal ik gedenken, zei Uilenspiegel.
Uilenspiegel, ziende dat hij at gelijk Lamme, was gelukkig. De pensen die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag de ketels, potten en pannen dede blinken lijk zonnen.
Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee kiekens te braden en ze zei tot Uilenspiegel aan het spit te draaien, terwijl zij naar de markt om de toespijze ging.
Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.
Sanginne kwam terug en ze sprak:
- Er waren twee kiekens en ik zie er maar een meer.
- Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde Uilenspiegel.
Grammoedig ging zij dit vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:
- Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.
- Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam, hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken lijk gij. Er waren twee kiekens, een heb ik gegeten, het ander is voor U, mijne vreugd is voorbij, de uwe nog niet, zijt gij niet gelukkiger dan ik?
- Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne U zal heeten, en ge zult maar half werk hebben.
- Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.
Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, dede hij het maar half; als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar eenen; als zij hem heette aan de tonne den pot met kuite te vullen, goot hij er onderweg de helft van in zijn keelgat, en zoo wijder.
Ten slotte wierd Sanginne dit moede en ze zei tot Lamme dat, als die deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.
Lamme ging bij Uilenspiegel en zei hem:
- Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed waart in huis. Hoor dien haan kraaien, 't is twee uren na middag, dat is een teeken van regen. Liever zette ik U niet buiten, als er slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als ze mij verlaat moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade en neem deze drij gulden en dezen krans worsten, om U tot vertroosting te dienen.
En beschaamd en beteuterd trok Uilenspiegel henen, want hij betreurde Lamme en zijne keuken.