November kwam te Damme en elders, maar 't was een late winter. Noch sneeuw, noch koude, noch regen; de zonne scheen van 's morgens tot 's avonds, de kinderen stoeiden in het stof van straten en wegen; en kooplieden, goudsmeden, wagenmakers en werklieden kwamen 's avonds na het eten, op de zulle hunner deur, kijken naar den immerblauwen hemel, naar de boomen die nog hunne bladeren hadden, naar de ooievaars die op de daken zaten en de zwaluwen die nog niet vertrokken waren. De rozen hadden driemaal gebloeid en stonden voor de vierde reize in bot; de nachten waren zoel, de vogeltjes kweelden in de bosschen.
Die van Damme zegden:
- De winter is dood, laat ons hem verbranden.
En zij maakten een grooten man met een berensnoet, een langen vlassen baard en haar van schavelingen. Zij deden hem witte kleederen aan en verbrandden hem toen in groote plechtigheid.
Klaas was weemoedig, hij zegende geenszins den immer blauwen hemel, noch de zwaluwen die niet vertrekken wilden. Want te Damme brandde niemand meer kolen, ten zij voor de keuken, en mits iedereen er daarvoor genoeg had, ging niemand er koopen bij Klaas, die al zijne spaarpenningen uitgegeven had om zijn voorraad in te doen.
De kooldrager stond dus op de zulle zijner deur, als hij zijn neus door een koel windeken voelde streelen.
- Ha! sprak hij, daar komt mijn brood aanwaaien.
Maar het koel windeken bleef niet waaien, en de hemel bleef immer blauw, en de bladeren wilden niet vallen. En Klaas weigerde zijn wintervoorraad voor halfprijs te verkoopen aan den gierigaard Grijpstuiver, den deken der vischverkoopers. En weldra was er gebrek in de arme stulp.