Het gerucht liep dat keizer Karel zinnens was het recht van erflating te ontnemen aan degenen die in de kloosters stierven, hetgene den Paus grootelijks mishaagde.
Uilenspiegel die toen in de vallei der Maas was, dacht dat de keizer aldus te allen kante voordeel ging halen, want hij erfde als de familie niet erfde. Hij zette zich neder aan den oever van den stroom en wierp zijne lijn met het aas uit. Vervolgens knaagde hij aan eene oude broodkorst, het speet hem wel dat hij er geenen kroes wijn bij had, maar hij zegde tot zich zelven dat men 't niet altijd naar wensch hebben kan.
Toch smeet hij een stuk van zijn brood in 't water, zeggende dat hij, die zijnen maaltijd niet deelt met zijnen evennaaste, niet weerd is dat hij eten heeft.
Een grondeling kwam aan het brood rieken en opende domga-weg den bek, in den waan dat het brood er van zelf ging in vallen. Terwijl hij aldus in de lucht keek, werd hij eensklaps ingeslikt door een verraderlijken snoek die als een pijl op hem zwom.

Men mag mij uitmaken voor boer, voor schurk, voor deugniet, sprak
hij, maar ik zal zeggen en roepen en schreeuwen dat ik een witten muur,
een naakten muur, een blooten muur, voor mijnen neus heb! (Blz
150) 8
Een karper, die argeloos in de lucht naar de vliegen hapte, onderging hetzelfde lot. Als de snoek verzadigd was, hield hij zich onbeweeglijk ter zijde, de kleine vischjes versmadend die overigens pijlsnel van hem wegzwommen. Terwijl hij aldus in trotschheid zijn gemak nam, kwam een hongerige, vraatzuchtige snoek met open muil naar hem zwemmen. Een woedend gevecht ontstond tusschen beide; weldra zag het water rondom hen rood van hun bloed. De verzadigde snoek verdedigde zich slecht tegen den hongerige; deze laatste zwom wat achteruit, nam zijnen aandrift en viel toen op zijnen tegenstrever die hem met open muil afgewacht en hem meer dan de helft van den kop ingeslikt had; nu wilde hij hem weder uit den muil verwijderen, doch hij gelukte er niet in, ter wille van zijne kromme tanden. En alle beide spartelden wanhopiglijk.
Aldus aaneengehecht, zagen zij den sterken angel niet die, aan een zijden snoer gebonden, langzaam omhoog kwam, in de vinne drong van den verzadigden snoek, hem met zijnen vijand uit het water trok en beide met een krachtigen zwenk op het gras smeet.
Uilenspiegel sneed hun de keel af en sprak:
- Snoeken, mijn vrienden, mocht gij de paus en de keizer zijn die elkander bestrijden, en ik het wakkere volk dat U beiden opscheert, op het uur dat God zal believen.