Nele was nog altoos zeer bedroefd voor heur zelve en voor heure uitzinnige moeder.
Uilenspiegel verhuurde zich aan eenen kleermaker die hem zei:
- Als gij naait, naai dicht, dat men de steken niet zie.
Uilenspiegel ging zich onder eene tonne zetten en begon daar te naaien.
- Wat is dat nu? riep de kleermaker.
- Ik naai dicht ineen in de tonne, en niemand kan de steken zien, antwoordde Uilenspiegel.
- Kom, sprak de kleermaker, zet U hier neer op de tafel, en stik uwe steken dicht tegen elkander en maak het kleed als die wolf. - Wolf was de naam voor een boerenwambuis.
Uilenspiegel nam het wambuis, sneed het aan stukken en naaide het aaneen, zooveel als hij kon in de gedaante van eenen wolf.
Als de kleermaker dat zag, riep hij uit:
- Wat doet gij daar, verduiveld?
- Wel, eenen wolf maken, antwoordde Uilenspiegel.
- Leelijke spotter, sprak de kleermaker, ik had U gezegd van eenen wolf te maken, 't is waar, maar gij weet wel dat een wolf een boerenwambuis is.
Eenigen tijd naderhand zegde hij hem:
- Jongen, gooi nog eens gauw de mouwen aan dien bovenkerel daar, eer gij slapen gaat.
Uilenspiegel hing den bovenkerel aan eenen nagel en bracht heel den nacht door met de mouwen naar het kleedingstuk te werpen.
Op het gerucht dat hij maakte, kwam de kleermaker kijken.
- Deugniet, sprak hij, welke kwade poets zijt gij mij weer aan 't bakken?
- Gij heet dat eene kwade poets? antwoordde Uilenspiegel. Bezie die mouwen, heel den nacht gooi ik ze naar den bovenkerel, en ze zijn er nog niet aan.
- Dat spreekt van zelf, zei de kleermaker, ook gooi ik U op straat, om te zien of gij er niet zoudt aan geraken.