Een man van Damme, die aan Klaas zijne kolen niet konde betalen, had hem het schoonste van zijn kateil gegeven, zijnde een handboog met twaalf goed aangezette pijlen.
En als er niet te werken was, ging Klaas op de jacht: meer dan een haas werd door hem gedood en veranderd in stoverij, om al te groote liefhebber van koolen te zijn.
Klaas zette zich toen gretig te eten, en Soetkin zei, terwijl ze de eenzame baan opkeek:
- Thijl, mijn zoon, riekt gij den lekkeren geur van de saus niet?... Ongetwijfeld heeft hij nu honger.
En droomerig, hadde zij hem zijn deel van 't festijn willen bewaren.
- Als hij honger heeft, sprak Klaas, is het zijne schuld; dat hij terugkome en hij zal eten als wij.
Klaas hield duiven; ook hoorde hij geerne, rondom zich,
distelvinken, leeuweriken, musschen en andere zang- en snapvogels zingen en piepen, en schoot hij gaarne muizenvalken en koningssperwers, die de kleinen verslinden.
Nu, eens dat hij in zijne lochting kolen meette, toonde Soetkin hem een grooten vogel die in de lucht boven het duivenkot zweefde.
Klaas nam zijnen handboog en sprak:
- De duivel redde Zijne Sperwerachtigheid!
Als hij den pijl in den boog had gestoken, hield hij zich in de lochting, alwaar hij al de bewegingen van den vogel opvolgde om hem niet te missen. Het was valavond. Klaas kon enkel eene zwarte stip onderscheiden. Hij schoot den pijl af en zag een ooievaar in de lochting vallen.
Klaas was er droef om, maar Soetkin nog meer, en zij riep:
- Nu hebt gij den vogel Gods gedood.
Zij nam toen den ooievaar, zag dat hij maar aan den vleugel gewond was, ging balsem halen en sprak, terwijl ze zijne wonde vermaakte:
- Ooievaar lief, 't is niet behendig voor U, die gaarne gezien wordt, van in de lucht te zweven als een havik, die gehaat wordt. Aldus treffen de pijlen des volks soms een verkeerden man. Hebt gij zeer aan uwen vleugel, arme ooievaar, dat gij mij zoo gewillig laat begaan? Weet gij dat onze handen vriendenhanden wezen?
Als de ooievaar genezen was, kreeg hij al te eten wat hij wilde; doch liefst at hij de visch, die Klaas voor hem in de vaart ging vangen. En telkens dat de vogel Gods hem zag komen, opende hij gretig den bek.
Hij volgde Klaas als een hond, maar liefst bleef hij in de keuken, alwaar hij zijne maag warmde en met den snavel op Soetkin sloeg, terwijl zij het noenmaal bereidde, als om heur te zeggen:
- Is er niets bij voor mij?
En 't was aardig dien ernstigen geluksbode op zijne lange pooten de hut te zien rondloopen.