terug  begin  verderprepost
[p. 124]

LI

Maar de slechte dagen waren teruggekomen: droevig wrocht Klaas alleen op zijn akker, want er was geen werk voor hun beiden. Soetkin bleef alleen in de stulp en maakte op allerhande manieren de boonen, hun dagelijksch maal, gereed, om Klaas zijn honger te streelen. En zij zong en zij lachte, opdat hij heure droefheid niet merken zoude. De ooievaar zat omtrent heur, op éénen poot en met den bek in de pluimen.

Een man te peerd hield voor hunne woning stil; hij was heel in 't zwart gekleed en had een mager en droevig gezicht.

- Is hier iemand thuis? vroeg hij.

- God zegene Uwe Droefgeestigheid, antwoordde Soetkin; maar ben ik eene schimme, wijl gij mij vraagt of iemand thuis is?

- Waar is uw vader? vroeg de ruiter.

- Als mijn vader den naam draagt van Klaas, is hij ginder, antwoordde Soetkin, en bezig met koren te zaaien.

De ruiter ging weg, en Soetkin toog ook henen vol droefheid want voor de zesde reize moest ze, zonder geld, brood bij den bakker gaan halen. En als ze met ledige handen terugkwam, was zij versteld Klaas triomfantelijk terug te zien komen op het peerd van den zwarten man, dewelke te voet naast hem ging en het dier bij den toom hield. Klaas hield vol trotschheid in de hand eene lederen tassche, dewelke er goed gevuld uitzag.

Als hij van 't peerd steeg, omhelsde hij den man en klopte hem vervolgens vriendelijk op den schouder.

- Leve mijn broeder Judocus, de goede heremijt! riep hij uit, terwijl hij de tassche dede rinkelen. God beware hem in vreugd, in vet, in gezondheid. 't Is Judocus vol zegen, Judocus vol overvloed, Judocus met zijn vette soep! De ooievaar heeft geenszins gelogen!

[p. 125]

En hij lei de tassche op tafel. Jammerend sprak Soetkin toen:

- Man, wij hebben geen eten vandaag: de bakker heeft mij brood geweigerd.

- Brood? sprak Klaas, de tassche openend en goudstukken op de tafel gietend, brood? Daar is brood, boter, vleesch, wijn, bier! Daar zijn hammen, mergpijpen, reigerpasteien, ortolanen, hoenders, kasterlings, gelijk bij de groote heeren! daar is bier met tonnen en wijn met vaten! Gestraft wordt de bakker, want wij zullen bij hem niets meer koopen.

- Maar, man, sprak Soetkin verbaasd.

- Nu, luister, sprak Klaas, en wees verblijd. Katelijne, in stee van in 't markgraafschap Antwerpen heure ballingschap uit te doen, is, vergezelschapt door Nele, te voet naar Meiborg gegaan. Daar heeft Nele tot mijn broeder Judocus gezegd dat wij ondanks onzen harden arbeid, veelal in armoe verkeeren. Naarvolgens die goede bode mij zoo even gezegd heeft - en Klaas wees naar den zwarten ruiter - is Judocus den heiligen Roomschen godsdienst afgegaan, om de Luthersche ketterije aan te hangen.

De zwarte man antwoordde:

- Ketters zijn zij die de Groote Hoer volgen. Want de Paus vergeet zijne plichten en drijft handel in de heilige zaken.

- Ha! mijnheer, zei Soetkin, gij zoudt ons gedrieën op den brandstapel brengen.

- Dus, vervolgde Klaas, Judocus heeft aan dien braven bode gezegd dat, mits hij vechten ging onder de troepen van Frederik van Saksen, aan denwelken hij vijftig goed gewapende mannen bezorgde, hij zooveel geld niet van noode had, want dat het, bij rampspoed, toch gestolen zou worden door een of anderen landsknecht. Draag dus, zoo sprak hij, met mijnen zegen, die zevenhonderd gouden karolusgulden aan Klaas, mijnen broeder: zeg hem dat hij goed leve en zijner ziele gedenke.

- Ja, sprak de ruiter, want 't is tijd: God geeft eenieder naar zijne werken en handelt met eeniegelijk volgens de verdiensten zijn levens.

[p. 126]

- Mijnheer, sprak Klaas, 't zal mij toch ondertusschen niet verboden zijn mij in de goede tijding te verblijden. Verwaardig U hier te blijven, om uwe boodschap te vieren zullen wij eten heerlijke pensen, menigvuldige karbonaden, een hammetje dat daar even zoo rond en zoo lekker bij den spekslachter lag, dat mijne tanden wel een voet uit mijnen mond kwamen.

- Laas! sprak de man, alleen de goddeloozen denken aan genuchten, terwijl de blikken des Heeren op hen zijn gevestigd.

- Nu, bode, spraak Klaas, wilt gij met ons eten en drinken ofte niet?

De man antwoordde:

- De geloovigen zullen hunne zielen aan de aardsche genoegens kunnen wijden, als de Babylonische Hoer ten gronde zal liggen!

Mits Klaas en Soetkin een kruis sloegen, wilde hij heengaan.

Klaas sprak tot hem:

- Mits het U behaagt aldus met een slecht onthaal te vertrekken, geef dan den vredeskus aan mijn broeder Judocus en waak over hem in 't gevecht.

- Ik zal het doen, sprak de man.

En hij toog henen, terwijl Soetkin eten ging halen om dat te stade gekomen fortuin te vieren. Dien avond kreeg de ooievaar twee grondelingen en een kabiljauwskop te eten.

De mare verspreidde zich weldra te Damme dat de arme Klaas, door het toedoen van zijn broeder Judocus, de rijke Klaas was geworden. En de deken zei dat Katelijne zeker Judocus betooverd had, mits Klaas van hem eene groote somme gelds had gekregen en dat hij niet eens een kleedje aan Onze-Lieve-Vrouwe had geofferd.

Klaas en Soetkin waren gelukkig; Klaas wrocht op het veld of verkocht zijne kolen, en Soetkin bleef de wakkere huisvrouw.

Maar Soetkin, altijd droefgeestig, zocht steeds, met de oogen, haren zoon Uilenspiegel op de wegen.

En alle drij smaakten het geluk dat God hun toezond, in afwachting van hetgeen hun van de menschen te wachten stond.

prepostterug  begin  verder