Keizer Karel ontving dien dag uit Engeland een brief, in denwelken zijn zoon hem schreef:
Mijnheer en Vader,
Het mishaagt mij grootelijks te moeten leven in een land waar de gevloekte ketteren vermenigvuldigen als vlooien, rupsen en sprinkhanen. Het vuur en het zweerd zouden niet te veel zijn om ze van den stam te rukken van den levendmakenden boom die onze Moeder de Heilige Kerke is. Alsof dit leed mij nog niet voldoende ware, beschouwt men mij nog, niet als een koning, maar als den echtgenoot van hunne koningin, die zonder haar geenerlei gezag zou hebben. Zij spotten met mij, zeggende in kwaadwillige boekskens van dewelke niemand den schrijver of drukker kan vinden, alsdat de Paus mij betaalt om het koninkrijk te storen en te verderven door ketteren te hangen en te branden en, als ik eene of andere dringende schatting wil lichten - want meermaals laten zij mij met opgezetten zin zonder geld - antwoorden zij in boosaardige paskwils dat ik er maar te vragen heb aan Satan, voor denwelken ik werk. Die van 't Parlement bieden mij, uit vreeze, hoogst nederig hunne verontschuldiging aan, maar zij geven toch niets.
Doch de muren van Londen zijn bedekt met paskwils, in dewelke ik voorgesteld worde als een vadermoorder, gereed om Uwe Majesteit te treffen, om van hem te erven.
Maar gij weet, heer en vader, dat onaangezien rechtmatige zucht en trots, ik aan Uwe Majesteit nog lange en glorierijke dagen wensche.
Ook verspreiden zij in de stad eene prent, waarop men mij afgebeeld ziet bij eene klavecimbel, in dewelke katten opgesloten zijn die met hare pooten op de snaren slaan; hare steerten steken uit door ronde gaten, aan dewelke zij met
ijzeren roeden vastgemaakt zijn. Een man, die ben ik, verbrandt de steerten met een gloeiend ijzer om de dieren met de pooten op de toetsen te doen slaan en erbarmlijk te doen huilen. Ik sta er zoo leelijk op dat ik mij niet bezien wil. En zij verbeelden mij met een grijnslach. Nu gij weet, heer en vader, of ik mij ooit aan dat onheilige vermaak overleverde. Ongetwijfeld dede ik wel eens voor mijn pleizier katten miauwen, doch ik lachte niet. Als echte muitmakers, schrijven zij mij de zoogenaamde wreedheid van die clavecimbel als eene misdaad aan, hoewel de dieren geene ziel hebben en een iegelijk, en namelijk de vorstelijke personen, er zich tot ter dood mogen van bedienen voor hun nut en vermaak. Maar in Engeland is men zoo verzot op dieren, dat men ze beter behandelt dan de dienstboden; stallen en hondekotten zijn hier paleizen en hier zijn heeren die in den stal bij hun peerd slapen.
Daarenboven is mijne edele gade en koningin onvruchtbaar. Zij zeggen om mij bloedig te beleedigen dat het mijne schuld en niet de hare is; voor 't overige is zij jaloersch, onhandelbaar en onmatig minneziek. Mijnheer en vader, alle dagen bid ik hoogst deemoedig Onzen Heere dat hij mij in genade ontvange, in de hoop dat Hij mij een anderen troon vergunne, al was het bij de Turken, in afwachting van dien tot denwelken mij roept de eer van zoon Uwer Allerglorierijkste en Allerzegevierendste Majesteit te wezen.
‘Geteekend: Philips.’
De keizer antwoordde als volgt:
Mijnheer en Zoon,
Uwe vijanden zijn groot, ik betwist het geenszins, doch tracht zonder grammoedigheid de verwachting eener schitterender kroon te verduren. Reeds meermalen heb ik het voornemen uitgedrukt, mij terug te trekken uit de Nederlanden en uit mijne andere overheerschingen, want ik voel dat ik, oud en

Hoezee! voor den grooten doktor' Uilenspiegel! (Blz. 164). 9
jichtig als ik word, niet goed meer zal kunnen wederstaan aan Hendrik van Frankrijk, den tweeden van dien naam, want de Fortuin lacht steeds de jongeren toe. Verlies ook niet uit het oog dat gij, door uwe macht als meester van Engeland, Frankrijk, onzen vijand, kwetst en vernedert.
Ik werd deerlijk verslagen vóór Metz, alwaar ik veertig duizend man verloor; ik moest vluchten voor den koning van Saksen. Als God mij door zijne goedertierenheid in mijne vroegere kracht en macht niet wil herstellen, ben ik zinnens, Mijnheer en zoon, U mijne koninkrijken af te staan.
Neem dus geduld en doe ondertusschen uwen plicht tegen de ketteren, van dewelke gij niemand moet sparen, noch mannen, noch vrouwlieden, noch kinderen, want mij is niet zonder leed ter kennis gekomen dat mevrouw de koninginne hun dikwijls genade wil schenken.
‘Uw verkleefde vader, Geteekend: Karel.’