Mits Uilenspiegel lang, lang gegaan had, waren zijne voeten tot bloedens gekwetst. Doch in het bisdom van Mentz ontmoette hij eenen volkswagen met pelgrims, die hem tot Rome bracht.
Als hij in de stad kwam en van den wagen stapte, zag hij op de zulle eener afspanning eene poezele vrouwe staan, die hem tegenlachte.
Heur minnelijk gezichtje beviel hem ten volle.
- Waardin, sprak hij, wilt gij schuilplaats verleenen aan eenen reizenden pelgrim, die den Heiligen Vader om genade komt smeeken voor zijne zonden?
- Wij herbergen al degenen die willen betalen.
- Ik heb honderd dukaten in mijne tassche, antwoordde Uilenspiegel die er maar éénen had, en met U wil ik den eersten verteren; laat ons eene bottel ouden Roomschen wijn drinken.
- De wijn is niet duur in deze heilige stede, sprak zij; kom binnen en drink voor een soldi.
Zij dronken samen zoo lang en ledigden, onder vriendelijk gekeuvel, zulke menigte flesschen, dat de waardin aan heure meid zeggen moest de klanten in hare plaats te gerieven, terwijl zij en Uilenspiegel in eene marmeren achterkamer zaten, in dewelke het koel was als 's winters.
Haar hoofd op zijn schouder leunend, vroeg zij hem wie hij was.
- Ik ben Sher van Geenland, grave van Gavergeëten, heere van Tuchtendeel, en 'k heb te Damme, dat mijne geboorteplaats is, vijf en twintig bunders maneschijn.
- Wat voor een land is dat? vroeg de waardin, uit Uilenspiegels beker drinkend.
- 't Is een land, sprak hij, waar men verbeelding, onzinnige verwachtingen en ijdele beloften zaait; een land waar gij niet vandaan zijt, met uwe lichtbruine huid, met uwe oogen die flonkeren als perelen; ze zijn van de kleur van de zonne, die goudbruine lokken; 't is Venus welke die gevleesde schouderen, die goddelijke borsten, die ronde armen schonk. Willen wij samen het avondmaal nemen?
- Schoone pelgrim uit Vlaanderen, sprak zij, wat komt gij hier doen?
- Den Paus spreken, antwoordde Uilenspiegel.
- Laas! sprak zij, den Paus spreken! Ik, die hier vandaan ben, heb het nog nooit gekunnen.
- Ik zal kunnen, sprak Uilenspiegel.
- Maar, sprak zij, weet gij waar hij gaat, hoe hij is, en kent gij zijne levenswijze?
- Onderwege zegde men mij, antwoordde Uilenspiegel, dat
hij Julius de derde heet, dat hij ontuchtig, lichtzinnig en liederlijk is, dat hij goed klapt en snedig antwoordt. Men zei mij ook dat hij eene ongemeene vriendschap opgevat heeft voor een zwarten, vuilen, woesten bedelaar, die met een aap de aalmoes vroeg, dat hij hem kardinaal gemaakt heeft en dat hij ziek is als hij een dag is zonder hem te zien.
- Drink, sprak zij, en spreek zoo luide niet.
- Men zei ook, vervolgde Uilenspiegel, dat hij eens vloekte als een soldenier: Al dispetto di Dio, potta di Dio, toen hij een kouden pauw niet terugvond, dien hij had doen wegzetten voor zijn avondmaal, en dat hij sprak: ‘Ik, de Stadhouder Gods, mag wel vloeken om eenen pauw, als wanneer mijn meester grammoedig om een appel was!’ Gij ziet, liefste, dat ik den Paus ken en weet wie hij is.
- Laas! zegde zij, maar spreek daar aan anderen niet van. Gij zult hem echter niet zien.
- Ik zal hem spreken, zei Uilenspiegel.
- Als gij dat kunt, geef ik U honderd florijnen.
- Ik heb ze gewonnen, sprak Uilenspiegel.
Hoewel zijne beenen vermoeid waren, doorliep hij 's anderen daags de stad en vernam hij dat de Paus dien dag misse zou lezen in de kerk van Sint-Jan van Lateraan. Uilenspiegel toog er henen, ging zoo dicht als hij kon bij den Paus staan en telkens als de Paus den kelk of de hostie ophief, keerde Uilenspiegel den rug naar het altaar.
De Paus was bijgestaan door een schalkschen, zwaarlijvigen kardinaal die, met een aapje op den schouder, aan het volk het sacrament gaf, met menigvuldige ontuchtige gebaren daarbij. Hij dede den Paus de handelwijs van Uilenspiegel kennen, en als de misse gedaan was, kwamen vier groote, woeste soldeniers zich meester maken van den pelgrim.
- Van welk geloove zijt gij? vroeg hem de Paus.
- Van hetzelfde als mijne hospita, Zeer Heilige Vader, antwoordde Uilenspiegel.
De Paus ontbood de vrouwe.
- Wat gelooft gij? vroeg hij haar.
- Alles wat Uwe Heiligheid gelooft, antwoordde zij.
- En ik van 's gelijken, sprak Uilenspiegel.
De Paus vroeg hem waarom hij den rug naar het altaar gekeerd had.
- Ik voelde mij onweerdig het te aanschouwen, antwoordde Uilenspiegel deemoedig.
- Zijt gij pelgrim? vroeg hem de Paus.
- Ja, sprak hij, en 'k kom uit Vlaanderen om vergeving mijner zonden te vragen.
De Paus zegende hem en Uilenspiegel ging henen met de waardin, die hem honderd florijnen telde. Met de tassche gevuld, verliet hij Rome om naar Vlaanderenland terug te keeren.
Maar zeven dukaten moest hij betalen voor het perkament, op hetwelk zijne vergeving stond geschreven.