terug  begin  verderprepost

LIV

Te dien tijde kwamen twee premonstratenzer broeders te Damme aflaten verkoopen. Boven hunne monnikspij, hadden zij een schoon fijn hemde, met kant afgeleid.

Aan de deur van de kerke, als het helder weder was, en onder 't portaal, als het regenachtig weder was, hingen zij hun tarief uit; daarin gaven zij voor zes duiten, voor een oortje, een half pond parisis, voor zeven, voor twaalf karolusgulden, honderd, tweehonderd, driehonderd, vierhonderd jaar aflaat, en, naarvolgens de prijzen, halven aflaat en vollen aflaat en de vergeving van de afschuwelijkste schelmstukken, ja, zelfs van ontuchtige begeerten ten opzichte van de Heilige Maagd gekoesterd te hebben. Maar dát kostte zeventien gulden.

Aan de klanten die hen betaalden, stelden zij kleine stukjes

[p. 135]

perkament ter hand, op dewelke het cijfer van de jaren aflaat geschreven was. En daaronder stond het opschrift:

 
Is er iemand die niet en wil zijn
 
Gebraeden ofte geroosterd fijn,
 
Bij duizend jaer in 't vaegevuer,
 
Of in de Helle voor allen duer,
 
Hij coope de aflaten maer
 
De gratiën en de kwijtscheldingen te gaer
 
Voor ietswat geld ende goed:
 
God hem dan het loonen moet.

En er kwamen koopers uit tien uren in 't ronde.

Een van de goede broeders preekte dikwijls voor het volk; hij had roode kaken en eene driedubbele kin.

‘Ongelukkige! sprak hij, een of anderen zijner toehoorders beziende; ongelukkige! daar zijt gij in de helle! Het vuur verbrandt U wreedelijk: men legt U te koken in een ketel vol olie, in denwelken men oliekoekjes voor Astarte bakt; gij zijt niets meer dan eene worst in Lucifers panne, een hamelbout in die van Gielgirot, den grooten duivel, want men snijdt U eerst aan stukken! Zie nu dien grooten zondaar, die de aflaten versmaadde; zie dien schotel stoverije: hij is 't, hij is 't, zijn goddeloos lichaam, zijn vermaledijd lichaam is vaneengekookt tot eene brij. En met welke saus! sulfer, pek en teer! En al die arme zondaren worden alzoo opgegeten om opnieuw tot hunne smarte in 't leven te komen. En daar zijn gedurig tranen en tandengeknars. Ontferm U onzer, genadige God! Ja, daar ligt gij in de helle, arme verdoemde, al die smarten te lijden. Als men voor U maar éénen denier gaf, zoudt gij bereids verlichting aan de rechterhand gevoelen; met nog een halven denier bij, waren uwe twee handen uit het vuur. Maar de rest van uw lichaam? Voor één gulden slechts, zou de dauw des aflaats op U nedervallen. O, verkwikkende koelte! En, in tien dagen, in

[p. 136]

honderd dagen, in duizend jaar, naar gelang dat men betaalt, geen gebraad, geen oliekoekje, geene stoverije meer! En als 't voor U niet is, zondaar, liggen er soms geene vrienden of magen van U, geene gade of geen liefje in de gruwelijke diepte des vuurs?’

En, dit zeggende, stiet de monnik met den elleboog tegen den broeder die met een zilveren schotel naast hem stond. En de broeder sloeg de oogen neer op dat teeken en schudde devotelijk den schotel om het geld bij te roepen.

‘Hebt gij, vervolgde de monnik, hebt gij in het helsche vuur soms geen zoon, geene dochter, geen kindje dat gij liefhadt? Zij schreeuwen, zij weenen, zij roepen U. Zoudt gij doof blijven voor hunne bange klachte? Dat kunt gij niet, uw hart van ijs gaat smelten, maar dat zal U een karolus kosten. En kijk, bij den klank van dien karolus op dit verachtelijk metaal... (de andere monnik schudde nogmaals zijnen schotel) maakt zich eene ruimte in het vuur, en stijgt de arme ziele tot aan den mond van eenen vuurberg. Daar is zij in de versche, in de vrije lucht! Waar zijn de smarten des vuurs? De zee is nabij, zij werpt er zich in, zij zwemt op den rug, op den buik, op de golven. Hoor, hoe zij schreeuwt van vreugde, zie, hoe zij duikelt in 't water. De engelen bezien haar en zijn gelukkig. Zij wachten haar, maar zij kan uit het water niet weg, zoo goed, zoo koel is het haar. Zij weet niet, de arme ziele, dat daarboven heerlijke geurige baden heur wachten, in dewelke groote stukken kandijsuiker drijven, en die koel zijn als ijs. Daar komt een haai: zij vreest hem niet. Zij klimt op zijnen rug, maar hij voelt heur niet; zij wil met hem in 't diepste der zee dringen. Zij gaat er de zeenimfen groeten, die waterzooi eten in koralen ketels en versche oesters in perelmoeren tellooren. En zij wordt goed ontvangen, onthaald en gevierd; de engelen roepen haar altijd omhoog. Gansch verkwikt, gelukkig, begint zij te zingen als eene leeuwerik en vliegt zij naar 't hoogste der hemelen, alwaar God glorierijk op zijnen troon is gezeten. Zij vindt daar al heure

[p. 137]

vrienden en magen terug, behalve diegenen die de aflaten en Onze Moeder de Heilige Kerke versmaadden en branden in het diepste der helle. En dat voor altijd, altijd, altijd, in de eeuwigheid der eeuwigheden. Maar de andere ziele, zij, is bij den Heere, zij verkwikt zich in welriekende baden en knabbelt kandijsuiker. Koopt aflaten, mijne broeders: men heeft er tegen alle prijzen, tegen dukaten, tegen gouden florijnen, Engelsche sovereings! Kopermunt wordt niet versmaad. Koopt! koopt! alhier is de heilige winkel; armen en rijken worden gediend, maar krediet geeft men niet, mijne broeders, want koopen en niet dadelijk betalen is eene misdaad in de oogen van den Heer.’

De broeder die niet preekte rammelde met den schotel. Guldens, dukaten, daalders, oortjes, stuivers en deniers vielen er in als hagelsteenen.

Klaas die nu geld had, betaalde een gulden voor tienduizend jaar aflaat. De monniken gaven hem een stuksken perkament in de plaats.

Eindelijk ziende dat er in Damme niemand overbleef dan de hartevreters, die toch geene aflaten zouden koopen, trokken beide de broeders naar Heist.

prepostterug  begin  verder