In dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter wille van de ketterijen. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met de lamlendigheid van heuren Lamme.
Lamme ging dikwijls bij Klaas die, sedert hij geërfd had, veel in de taveerne den Blauwen Toren verkeerde, alwaar hij eene tafel gekozen had voor hem en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn half pintje te drinken, 't was de vrek Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haringen at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijne tassche het stuk perkament, op hetwelk zijne tienduizend jaar aflaat geschreven stond.
Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche in den Blauwen Toren zat, en
Judocus Grijpstuiver er ook was, was Klaas lustig aan 't drinken, en Jan van Roosebeke zegde tot hem:
- 't Is zonde Gods van zoo te drinken!
Klaas antwoordde:
- Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En 'k heb tienduizend jaar aflaat in mijne tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?
Allen riepen:
- Hoeveel vraagt gij er voor?
- Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.
En eenieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten kuite en muskens hesp en konijn, en eenieder sneed hij een stuksken perkament. Maar 't was Klaas niet die alles opat en uitdronk, maar Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne koopwaar de taveerne rondging.
Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem toe.
- Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.
- Neen, antwoordde Klaas, dat is te moeilijk om snijden.
Een iegelijk lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.
Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf gehad.