terug  begin  verderprepost
[p. 157]

LIX

Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en steeg op zijn ezel. Als hij over de Groote Markt reed, zag hij eenige verbolgen gezichten van heeren en damen, maar hij gaf er niet om.

Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en kwam daar een troep Smadelijke Broeders tegen, eenige lustige Vlamingen van Sluis, die alle Zaterdagen iets uitlegden om eens per jaar eene reize in Duitschland te doen.

Zij zaten op een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het Veurne-Ambacht, en zoo reden zij zingend en dartelend door de wegen en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp, de schalmeie, de viole, den doedelzak speelden, en dat alles maakte groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op den rommelpot speelde, in de hope van wat te vermageren.

Zij waren aan hunnen laatsten gulden, als zij Uilenspiegel tot zich zagen komen; zij riepen hem eene afspanning binnen en trakteerden hem daar. En Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Mits hij echter zag dat de Smadelijke Broeders tot elkander knipoogden en heimelijk lachten terwijl zij hem inschonken, had hij in de gaten dat men hem eene poets wilde bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deure staan luisteren. Hij hoorde den dikzak zeggen:

- 't Is de schilder van den landgraaf, die hem meer dan duizend gulden gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn, en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.

- Amen, zegden de anderen.

Uilenspiegel ging zijn ezel, heel gezadeld, duizend stappen verder, bij een pachter vastmaken en gaf twee oortjes aan de meid om op hem te letten. Vervolgens keerde hij terug naar de afspanning en zette hij zich neer bij de Smadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Deze schonken hem in en betaalden

[p. 158]

't gelag. Uilenspiegel dede de guldens van den landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei dat hij daar aan eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.

Etend en drinkend, spelend en zingend reisden zij aldus samen voort. Door hun dapper peerd getrokken, kwamen zij langs eenen steenweg op denwelken eene afspanning, in den Ketele, lag, uit dewelke een lekkere geur van stoverije kwam.

De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak, naar Uilenspiegel wijzend:

- 't Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.

Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegels tassche hoorde rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat daar zijn grootste schat stak. Als zij twee dagen en eenen nacht gegastreerd hadden, spraken de Smadelijke Broeders tot Uilenspiegel:

- Laat ons opkramen en 't gelag betalen.

Uilenspiegel antwoordde:

- Als eene rat in eenen kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?

- Neen, spraken zij.

- En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het stof van de wegen en naar 't water der grachten die vol echelen steken?

- Neen, spraken zij.

- Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken van den baas in onze kelen te gieten.

En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.

Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:

- Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat

[p. 159]

ongeluk overkomt, neemt dan mijn vilten hoedeken, het steekt vol gouden karolussen.

- Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.

En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem weer afnam, zeggende:

- Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.

- Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak de Smadelijke Broeder.

- Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen half in de zonne en half in de schaduw te loopen.

En, zijn hoofddeksel aan den baas langende, sprak hij:

- Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga eens naar achter.

Hij dede zoo en de baas hield het hoedeken vast.

Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg den weg in naar Embden.

De Smadelijke Broeders, hem niet ziende terugkomen, zeiden tot elkander:

- Zou hij weg zijn? Wie zal dan 't gelag betalen?

De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed in twee. Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering niets dan kwade koperen penningen.

Toen voer hij heftig uit tegen de Smadelijke Broeders.

- Broeders in aftroggelarij, gij gaat uit mijn huis niet, zonder dat gij mij al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uw hemde, sprak hij.

En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen.

In hun hemde reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch hun wagen willen verkoopen.

En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun

[p. 160]

geerne wat brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij dat zij door dieven uitgeschud waren.

En zij hadden maar ééne hooze voor allen te samen.

En zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op den wagen dansend en op den rommelpot spelend.

prepostterug  begin  verder