Uilenspiegel kwam eens te Neurenberg en daar gaf hij zich uit voor een groot geneesheer, die met evenveel welslagen, alle soorten van ziekten overwinnen konde.
In het gasthuis van die stad lagen zooveel zieken dat men er geen weg mee wist. De bestierder, de komst van Uilenspiegel vernomen hebbende, kwam hem bezoeken en vroeg of hij werkelijk allerlei ziekten genezen konde.
- Uitgenomen de laatste, antwoordde Uilenspiegel; maar beloof mij tweehonderd gulden voor de genezing van al de andere, doch ik wil geen duit als alle uwe zieken niet zeggen dat zij genezen zijn en het gasthuis kunnen verlaten.
's Anderen daags kwam hij, met verzekerden blik, plechtstatig de ziekenzaal binnen. Hij ging overal rond, bezocht elken zieke afzonderlijk en sprak aldus tot hem:
- Zweer mij dat gij aan niemand zult zeggen wat ik U in het oor ga vertellen. Welke ziekte hebt gij?
De kranke zei het hem en zwoer bij hoog en leeg van te zwijgen.
- Weet, sprak Uilenspiegel, dat ik morgen een uwer tot asch moet verbranden, om daarmede een wonderbaar geneesmiddel te bereiden, hetwelk alle de zieken zullen te drinken krijgen. Die niet kan gaan, wordt tot pulver verbrand. Morgen kom ik terug met den bestierder, en ik zal roepen: ‘Dat al degenen die niet ziek zijn, hun pak maken en heengaan.’
Den volgenden morgen kwam Uilenspiegel en riep hij gelijk hij gezegd had. Al de zieken, kreupelen, zinkinglijders, koortslijders wilden om 't zeerste buiten. Allen liepen de straat op, zelfs die welke nog in geen tien jaar uit hun bedde waren gekomen.
De bestierder vroeg hun of zij genezen waren en of zij gaan konden.
- Ja, antwoordden zij, in 't gedacht dat er een op de koer tot assche verbrand werd.
Toen sprak Uilenspiegel tot den bestierder:
- Betaal mij; gij ziet, allen zijn buiten en zeggen genezen te zijn.
De bestierder betaalde hem tweehonderd gulden, en Uilenspiegel spoedde zich buiten de stad.
Maar twee dagen naderhand zag de bestierder alle zijne zieken terugkomen, nog slechter gesteld dan te voren, behalve een dien de frissche lucht genezen had, en die nu dronken door de
straten liep, al zingende: ‘Hoezee voor den grooten doktor Uilenspiegel!’