Den wagenmaker verlaten hebbende, moest hij zich, op de terugreis naar Vlaanderen, verhuren als leerknaap bij eenen schoenmaker, die liever aan zijne deur stond dan met zijne else op den stoel zat.
Uilenspiegel die hem voor de honderdste maal zag opstaan, vroeg hoe hij de overleeren moest snijden.
- Snijdt er, sprak de baas, voor groote en middelmatige voeten, opdat al wie groot en klein vee ment, er gemakkelijk in kunne.
- Zoo zal geschieden, baas, antwoordde Uilenspiegel.
Als de schoenmaker weg was, sneed Uilenspiegel overleeren die anders niet goed waren dan voor merriën, ezelinnen, veerzen, zeugen en ooien.
Als de baas terug in zijn werkhuis kwam en al zijn leder versneden zag, riep hij uit:
- Wat steekt gij daar uit?
- Wat gij mij geheeten hebt, was 't antwoord van Uilenspiegel.
- Ik heb U geheeten, hernam de baas, schoenen te snijden voor een iegelijk die ossen, varkens, schapen ment, en daar snijdt gij schoenen op den voet van die beesten.
Uilenspiegel antwoordde:
- Baas, in dit seizoen in hetwelk alle beesten minneziek zijn, wie is 't die den beer, den ezel, den stier en den ram ment anders dan de zeug, de ezelin, de veers en de ooie?
Vervolgens ging hij buiten, doch hij mocht niet meer binnen.