terug  begin  verderprepost

LXVI

Omtrent Ronse, in Vlaanderen, had Uilenspiegel honger en dorst, maar hij wilde niet klagen en hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, en de menschen gingen en kwamen en gaven hem niets.

Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. In de dorpen kreeg hij het water in den mond, als hij een hond aan een been zag knagen aan den hoek van een muur. Hij hadde wel een gulden willen verdienen, doch hij wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.

Omhoog zoekend, zag hij duiven die op hunne pier zaten te kirren en witte stukskens op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht ten gronde langs de steenwegen, maar tusschen de kasseien schoten er geene guldens.

[p. 169]

Rechts zoekend, zag hij wel eene leelijke wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, als er uit dien gieter ietwat moest vallen, het geene guldenbui zoude wezen. Links zoekend, zag hij een grooten luien kastanjeboom, die leefde en waste zonder iets te verrichten.

- Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenboomen? Er zouden zulke schoone vruchten op komen!

Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen geducht op Uilenspiegel zijn rug.

- Laas! sprak hij, ik voel het wel, 't is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt. - Toen begon hij te loopen.

- 't Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geene tente heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, 't is mijne schuld niet als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, 't is enkellijk omdat mij zulks beviel. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen. - En hij liep. - Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij uitgehold, en kunt gij dienen voor een pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. - Vervolgens zijne kaken afwisschend, sprak hij: - Deze kunnen weldra dienen voor schuimspanen voor de koks die het bij hunne vuren te warm vinden. Ha! verre herinnering der stoverijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag U niet, jammerende ingewanden, houdt U stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik eten vind.

Terwijl hij aldus in zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak: - Daar is de zonne, mijn eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar hij liep altijd, mits hij koud was. Eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en uitpuilende oogen.

- Dat beest is razend, sprak Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind op eenen boom; nauwelijks had

[p. 170]

hij den eersten tak bereikt, of de hond was daar, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, wilde treurig en stijf den boom opklimmen om Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.

Dat dede Uilenspiegel geen pleizier en des te minder als hij, van den boom gekomen zijnde, zag dat de muil van den hond niet droog was, gelijk dat gewoonlijk bij dolle honden 't geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan eenen paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het toen in zijne tassche.

Mits honger en dorst hem kwelden, ging hij meerdere hoeven binnen, doch hij dorst het vel niet te koop bieden, in de vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid, hij ging eene kleine afspanning binnen. Daar zag hij eene oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.

- Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.

Uilenspiegel antwoordde:

- Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.

- Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.

- Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijne heilige voeten en zijne doorluchtige muilen te kussen.

Maar de oude hond van de bazinne kuchte, doch hij spuwde niet.

- Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.

- Over twee maanden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte: - Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaalkamerheer van zijne Zeer Heilige Heiligheid. - Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de

[p. 171]

voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen. - Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel pleizier doen U te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes overgaat. - Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om de voeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichterzake terugkeeren? - Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen: - Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het raampje beneden in de deur. Dit werd gedaan. - En door het raampje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en 'k hoorde eene stem die als de donder sprak, zeggen: - Dit zijn de geduchte voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, christen, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en heel mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het raampje weder toe en dezelfde geduchte stemme zei mij van te wachten. Het raampje ging weder open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen dat hij schier niet gaan kon.

De Heilige Vader verwaardigde zich nog mij te zeggen: - Uilenspiegel, gij ziet mijn hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen van te knagen aan gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er U wel mee bevinden.

- Drink, sprak de oude.

- Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik dede den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drij dagen en drij nachten aaneen, en was toen genezen.

- Jezus, God en Maria! sprak de oude, laat mij U kussen,

[p. 172]

doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.

Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak tot haar: Zij die met de lippen de heilige muilen aangeraakt hebben mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel pensen en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.

- Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf U een gulden voor uwe moeite.

- Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.

Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijne bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat het niet mogelijk was.

Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere, vervolgens sprak hij tot de hospita:

- Wat zoudt gij doen, als iemand bij U at en niet wilde betalen?

- Ik zou den dief zijn overste kleed afnemen, sprak de oude.

- Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, terug bij de oude komende, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het overste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.

- Zeker, antwoordde zij.

- Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn overste en eenige kleed uitgedaan.

En hij liet heur de huid van den dooden hond zien.

- Ha! snikte de oude, dat is wreed van U, mijnheer de dok-

[p. 173]

tor. Arm hondje! het was mij als mijn kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven.

- Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel.

- Weder in 't leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de doktor, niet alleenlijk zult gij voor niet een kostelijk maal hebben genoten, maar 'k zal U nog een gulden op den koop toe geven.

- Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar 'k moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuwe vel toe te plakken, eene naalde en garen, en saus van karbonaden; en men moet mij alleen laten begaan.

De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.

Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onder op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote strepen met siroop.

Hij stiet drijmaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!

Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf hij eenen schop aan den levenden en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.

Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.

- Gij moogt uwen hond maar vastnemen, sprak hij, als hij al de siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.

- Eén had ik gezeid, sprak de oude.

- Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in 't leven te roepen.

En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende: Daar, vrouwe, bewaar zijn oud vel, het kan dienen om het nieuw te vermaken als er gaten in komen.

prepostterug  begin  verder