terug  begin  verderprepost
[p. 174]

LXVII

Dien Zondag ging te Brugge de Heilig Bloedprocessie uit. Klaas zei aan zijne vrouw en aan Nele van er henen te gaan, dat zij Uilenspiegel misschien in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou t'huis blijven om den pelgrim te ontvangen, zoo hij terugkwam.

Beide de vrouwen vertrokken getweeën: Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in 't ronde, terwijl de wind, bijwijlen, uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en stinkpotten bracht, die ter eere van het Heilige Bloed afgeschoten werden.

Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, maar hij zag niets dan eenen blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in 't stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op de boorden glinsteren dede.

Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugde en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken mist die over de weiden hing en spitste hij het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan aan den boord van een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.

- Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.

Hem een oogenblik uit het zicht verloren hebbende, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zeven-

[p. 175]

honderd gouden karolusgulden gebracht had. Hij ging hem tegen en sprak:

- Kom binnen!

De man antwoordde:

- Gezegend zijn zij die goed zijn jegens den dwalenden reiziger.

Buiten op de vensterbank waren broodkruimelen die Soetkin daar gelegd had voor de vogelen. Zij kwamen daar 's winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.

- Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.

- Over acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.

- 't Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier zijn, sprak Klaas de schapraai openend, hier zijn eene teil vol boonen, eieren, pensen, hesp, Gentsche worsten, en nog waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Burgondië, als robijnen zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.

Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:

- Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel niet gezien?

- Neen, antwoordde hij.

- Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles op tafel stelde: gerooste pensen, eenen eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.

De man antwoordde:

- Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gedragen.

Klaas was als uitzinnig en sprak, over gansch zijn lijf bevend, zoo groot was zijn gramschap:

[p. 176]

- Die beulen, die moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!

- Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, sprak toen de man.

En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:

- Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik dede mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier omdat hij mij zeide: ‘Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor 't geloove niet sterft gelijk ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijk in de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord’.

Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredeskus.

En Klaas jammerde:

- Op het rad gestorven! mijn arme broeder!

En zoo groot was zijne smarte, dat hij nog tot bezinning niet kwam. Doch, mits hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.

Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.

Alle die nachten hoorden zij Katelijne huilen:

- Het vuur! het vuur! Maak een gat: de ziel wil er uit!

En Klaas ging naar heure hut, stilde heur met zoete woorden en kwam toen terug in zijn huis.

Na zeven dagen toog de man henen, zonder iets van Klaas te willen aanvaarden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.

prepostterug  begin  verder